<?xml version='1.0' encoding='UTF-8'?><?xml-stylesheet href="http://www.blogger.com/styles/atom.css" type="text/css"?><feed xmlns='http://www.w3.org/2005/Atom' xmlns:openSearch='http://a9.com/-/spec/opensearchrss/1.0/' xmlns:georss='http://www.georss.org/georss' xmlns:gd='http://schemas.google.com/g/2005' xmlns:thr='http://purl.org/syndication/thread/1.0'><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531</id><updated>2012-01-08T18:10:52.899+01:00</updated><title type='text'>Dromen van Nachtmerries</title><subtitle type='html'></subtitle><link rel='http://schemas.google.com/g/2005#feed' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/posts/default'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default?max-results=100'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/'/><link rel='hub' href='http://pubsubhubbub.appspot.com/'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><generator version='7.00' uri='http://www.blogger.com'>Blogger</generator><openSearch:totalResults>9</openSearch:totalResults><openSearch:startIndex>1</openSearch:startIndex><openSearch:itemsPerPage>100</openSearch:itemsPerPage><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-8466086605763523001</id><published>2012-01-04T19:46:00.001+01:00</published><updated>2012-01-08T18:10:52.907+01:00</updated><title type='text'>Cyberdelia</title><content type='html'>Vandaag is het exact één maand geleden dat ik een vreemde uitnodiging kreeg. Het was al na middernacht en terwijl ik aan het surfen was, kreeg ik plots de melding dat er een nieuwe e-mail binnenkwam. Mijn e-mailprogramma herkende de afzender niet. Eerst dacht ik dat het zoals zo vaak om ongewenste reclame ging, maar afgaande op het onderwerp bleek dat niet het geval te zijn. Het was een uitnodiging voor de opening van een nieuwe discotheek, genaamd Cyberdelia. Het was zeker niet de eerste keer dat ik voor een of ander dansfeest uitgenodigd werd. Gezien mijn status als pionier van elektronische dansmuziek, gebeurde het wel vaker dat ik op het laatste nippertje gevraagd werd om te gaan draaien op een illegale raveparty. Zoiets is een veelgebruikte methode om de locatie zo lang mogelijk geheim te houden. Maar deze keer was anders. Hoewel ik de ontwikkelingen in de danswereld op de voet volgde, had ik nooit eerder gehoord van de plannen om een nieuwe discotheek te bouwen. Doorgaans gaat zulk nieuws rond als een lopend vuurtje. Het leek alsof de oprichters van Cyberdelia er alles aan gedaan hadden om hun project verborgen te houden.&lt;br /&gt;Toen ik de e-mail opende werd al snel duidelijk dat ik niet gevraagd werd als deejay, maar als gast. Op vertoon van de uitnodiging mocht ik de nacht van de opening bijwonen. De schrijver van het bericht beloofde een hemelse ervaring die met niets in de partyscene vergeleken kon worden. Nu had ik in mijn carrière al zoveel fantastische dansfeesten bijgewoond, dat deze belofte me wel erg straf leek. Ik bekeek dan ook met enige argwaan de line-up die wat verderop in de e-mail gepresenteerd werd: allemaal onbekende namen, met als afsluiter een deejay die zich “Amino” noemde. Helemaal onderaan het bericht stonden de openingsdatum en de locatie vermeld. Cyberdelia was een heel eind rijden, maar toch… Iets in mij zei dat ik dit niet mocht missen. Het was niet te verklaren, noem het intuïtie.&lt;br /&gt;Op het moment dat ik de uitnodiging wilde afdrukken, kreeg ik telefoon. Het was mijn vriend Vincent, net als ik een befaamde deejay. Hij belde me om te zeggen dat hij een wel erg geheimzinnige e-mail gekregen had…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op de dag van de opening reden Vincent en ik naar onze bestemming, een afgelegen landgoed nabij de kust. Het was augustus, de zon brandde en een zwoele bries aaide onze haren terwijl we met onze cabriolet naar Cyberdelia scheurden. Na een halve dag – de maan had de zon inmiddels verdrongen – bereikten we onze bestemming. Ik herinner me nog precies hoe we met grote ogen en open mond naar de discotheek keken, dan naar elkaar, en dan weer naar die grote kristallen piramide die op het water dreef. Ze was door een smalle brug verbonden met een hagelwit strand, omringd door golven die glinsterden in het bleke maanlicht. Gedurende enkele minuten zaten we aan onze lederen stoelen genageld. Dit beloofde een waanzinnige nacht te worden.&lt;br /&gt;Na een tijdje parkeerden we onze cabriolet bij de andere wagens, aan de flank van een metershoge duinenrij die het gebied afschermde van de buitenwereld. We hoorden reeds de dreunende bassen die uit de piramide ontsnapten, zagen fragmenten van stroboscopische lichtflitsen die door de nacht dwaalden. Overdonderd door de magische locatie wandelden Vincent en ik naar de ingang van de danstempel. De bassen klonken steeds helderder, langzaam tekenden zich melodieën af.&lt;br /&gt;Eenmaal binnen stonden we opnieuw versteld, dit keer van het buitenaardse interieur. Pilaren en booggewelven liepen in de meest onmogelijke hoeken en curven door elkaar heen en vormden daarbij een doolhof van titaan. Her en der krulden wenteltrappen naar golvende platformen waarop de aanwezigen volledig uit de bol gingen op de muziek. In het hart van de tempel lag de dansvloer, gehuld in een waas van neon. Vincent en ik liepen er naartoe, alsof het een magneet was die een onverklaarbare aantrekkingskracht op ons uitoefende. We geraakten er onmiddellijk bevangen door de muziek die in de vreemdste ritmes en toonaarden door de luidsprekers galmde. Er hing een extatische sfeer, een sfeer die verbondenheid schiep tussen alle aanwezigen. &lt;br /&gt;Nog nooit in mijn leven had ik zulke intens gelukkige mensen gezien. Allemaal gaven ze zich over aan de zweverige melodieën die door de danszaal kronkelden. Het duurde niet lang of ik was één van hen. De muziek bezorgde me een gelukzalig gevoel. Mijn geest kwam helemaal tot rust. Aan Vincents serene blik zag ik dat hij precies hetzelfde ervoer. We glimlachten naar elkaar en gaven ons over aan het spel van de deejays. Voor heel even waren zij goden; muziek was hun religie; Cyberdelia hun tempel. &lt;br /&gt;Het feest ging de ganse nacht door, tot in de vroege uren. De schrijver van de uitnodiging had beslist niet gelogen. De opening van Cyberdelia overtrof alles wat ik in mijn lange carrière al had meegemaakt. Dit was een plaats waar ik kost wat kost wilde terugkomen. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tegen de ochtend viel de eerste zonnestraal door de punt van de piramide naar binnen. Als bij een prisma brak haar licht in honderden stukken. Elke afzonderlijke straal belichtte de glimlach van een aanwezige. Dat was het moment waarop de laatste deejaywissel werd aangekondigd. Amino besteeg het platform waar de draaitafels stonden. Hij was gehuld in een zwart gewaad en een zilveren masker dat zijn gezicht onherkenbaar maakte. Bij zich droeg hij een zilverkleurig koffertje dat hij ongeopend naast zich neerzette. We keken met ingehouden adem toe. Ik keek naar Vincent, hij naar mij. We beseften dat dit het hoogtepunt van een geweldig feest zou worden.&lt;br /&gt;Terwijl de laatste plaat van de vorige deejay uitdoofde en overging in de openingsplaat van Amino, ontstond er een simultaan gevoel van verrukking. De klanken die hij produceerde klonken anders, nog dieper, nog intenser. Ze werden één met ons lichaam, met onze geest. Na enkele minuten ontketende de gemaskerde god complete euforie in zijn tempel. Het daaropvolgende uur ervoer ik een hemels genot dat alle aardse geneugten overtrof. &lt;br /&gt;Enige tijd later stond de zon boven de piramide goudgeel te gloeien. Haar licht had de duisternis volledig verdrongen en baarde vanillekleurige nevels in de ochtendhemel. De nacht in Cyberdelia zat er op. Amino liet zijn laatste melodie uitsterven. Op dat moment ontstond er een ontnuchterende stilte in de zaal. Onze simultane trance ebde langzaam weg. Het feest was afgelopen, maar we wilden meer. &lt;br /&gt;Amino keek naar ons van op zijn platform. We smachtten naar een allerlaatste melodie die deze perfecte nacht zou afsluiten. Amino toonde genade. Hij opende het koffertje dat al die tijd naast hem had gestaan en haalde er een glanzende schijf uit. Toen de naald op het vinyl ging en het laatste lied de zaal vulde, gebeurde het…&lt;br /&gt;Amino vervoerde ons naar een andere dimensie waar we versmolten met zijn finale melodie. Ze joeg koude rillingen door elke vezel van mijn lichaam. De onaardse melodie klonk als een symbiose van huilende vlinders en elektrische regendruppels die doordrongen tot mijn geest. Ik weet nog precies hoe mijn zintuiglijke waarnemingen op dat moment veranderden. Ik kon de neongloed die door de lucht zwom ruiken en de elektrische regendruppels proeven. Ze smaakten naar het zoet van de eerste lentebloesem. Geuren, klanken en smaken werden steeds intenser. Het hele amalgaam van gewaarwordingen bezorgde mij uiteindelijk een mentaal orgasme dat zoveel bevrijdender was dan zijn fysieke tegenhanger, zoveel bevrijdender dan alle pillen die ik ooit op de dansvloer geslikt had. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Sindsdien herinner ik mij alleen nog hoe ik gewekt werd door mannen in gele pakken die met veel kabaal Cyberdelia binnenstoven. Een van hen stond samen met een agente over me heen gebogen. Ze keken me van boven hun mondmaskertje aan met een bedrukte blik en mompelden wat tegen elkaar… iets over een enige overlevende of zo. Ik lag als een pudding op de grond, probeerde overeind te komen en vroeg ze hun woorden te herhalen. Het was drukkend warm. Langzaam kreeg ik een impressie van wat er om me heen gebeurde. De mannen in hun veiligheidspakken krioelden als mieren doorheen het gebouw en schenen met hun zaklampen naar alle hoeken van de danszaal. Een klein streepje maanlicht scheen over de piramide die haar kristallen glans verloren was. Overal waren de ruiten aangedampt. &lt;br /&gt;Pas toen ik er eindelijk in slaagde om rechtop te zitten, drong een rottende geur langs mijn neusgaten naar binnen. Niet ver bij me vandaan spanden twee agenten een fluorescerend lint voor de toegangsdeuren: Cyberdelia was verzegeld. Ik opende mijn ogen wat wijder en keek om me heen, op zoek naar de bron van die walgelijke stank. Het enige wat ik kon zien waren bewegingloze lichamen. Ze lagen overal verspreid, liggend op de grond, hangend over de platformen. Ik begreep er niets van. &lt;br /&gt;Benieuwd naar hoe lang ik daar al aan de vloer kleefde, vroeg ik aan de mollige agente die bezorgd mijn hand vasthield hoe laat het was. Tot mijn grootste verbazing zei ze dat ik ongeveer twee dagen in een coma gelegen had en dat ik God mocht danken omdat ik nog leefde. Ik keek haar verward en vol ongeloof aan. &lt;br /&gt;Daar zat ik dan, middenin door zonnebrand geperforeerde karkassen die een onuitstaanbare rottingsgeur verspreidden. Waarom ik slechts stevige hoofdpijn en zware oogleden had, was me een raadsel. Ik probeerde op te staan, op zoek naar Vincent, maar vond hem niet. Ik voelde hoe mijn spieren en mijn middenrif samentrokken en hoe ik steeds sneller naar adem begon te happen: de eerste symptomen van paniek. De agente gebood me om terug te gaan zitten en schreeuwde om een ambulance. Was ik er zo erg aan toe dan? &lt;br /&gt;Ik keek opzij. Ergens in het tapijt van dood vlees zag ik een jongen wiens gezicht gesmolten was onder de verzengende hitte. De brandende zon had de huid van zijn blanke benen en armen volledig weggevreten. Ter hoogte van een vettige sliert zwart haar die op zijn gezicht plakte, dropen delen van zijn wang uiteen op de doorschijnende vloer. Hij was bijna onherkenbaar, maar aan zijn brede mondhoeken, of wat daar nog van over bleef, zag ik dat het Vincent was. Mijn lieve Vincent. Hij glimlachte. Ik huilde. &lt;br /&gt;Ik slaagde er eindelijk in om recht te staan en de smeuïge lijkenzee te overschouwen. Allen hadden ze die typische gelukzalige glimlach op hun dode gezicht. Mijn blik dwaalde af naar het deejayplatform en toen wist ik het weer: Amino. De genodigden hadden zich op zijn laatste magische melodie naar de bevrijding gedanst. Ik had de pech nog steeds onder de levenden te vertoeven, want ik begon al snel te beseffen dat er geen zaligere dood bestond dan waaraan zij, de uitverkorenen, bezweken waren.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-8466086605763523001?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/8466086605763523001/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2012/01/cyberdelia.html#comment-form' title='2 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/8466086605763523001'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/8466086605763523001'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2012/01/cyberdelia.html' title='Cyberdelia'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>2</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-4097817693460590849</id><published>2011-12-16T19:46:00.001+01:00</published><updated>2011-12-16T19:51:38.797+01:00</updated><title type='text'>Nooit meer wakker worden</title><content type='html'>Ik kon me nog perfect herinneren hoe het gebeurd was. Het regende pijpenstelen die avond. De vrachtwagen voor mij begon te slippen en van links naar rechts over het wegdek te slingeren. Ik probeerde hem nog te ontwijken, maar mijn poging was tevergeefs. Hij ramde mij met volle snelheid in mijn flank en nog geen seconde later ging ik over de kop en belandde ik in een gracht. &lt;br /&gt;Daarna lag ik in coma, althans dat hoorde ik dokter Velasquez zeggen toen ik hem voor het eerst “ontmoette”. Hij vertelde het nieuws aan Patrick, mijn man, wiens reactie uit een langdurige, ongemakkelijke stilte bestond. Toen Patrick uiteindelijk vroeg of ik hem kon horen, zei dokter Velasquez van niet. Maar hij vergiste zich. Ik hoorde namelijk Patricks nerveuze ademstoten alsook het ingetogen gesnik van onze dochter Jessy. Ik hoorde alles, zelfs het gezoem van een ademhalingsmachine en het gepiep van een hartslagmonitor. Ook al klonken de geluiden ver weg en vervormd, alsof ik onder water zat, ik was er zeker van dat ik ze me niet inbeeldde.&lt;br /&gt;‘Wanneer wordt mama wakker?’ hoorde ik Jessy snotteren. &lt;br /&gt;Ze klonk zo verdrietig. Er kwam geen antwoord op haar vraag en het werd opnieuw ijzig stil in de kamer, op het geluid van de machines na. Ik wilde haar geruststellen en zeggen dat ik wakker was, maar mijn stembanden weigerden dienst, hoe hard ik ook probeerde.&lt;br /&gt;‘Meneer Michiels, zou ik u even onder vier ogen kunnen spreken?’ hoorde ik dokter Velasquez even later zeggen.&lt;br /&gt;Waarschijnlijk om de ernst van mijn toestand te bespreken. Voetstappen verwijderden zich van mijn bed en verdwenen de gang in, daar hielden ze op. &lt;br /&gt;Jessy bleef alleen achter en ze legde haar hand in de mijne. Ik wilde er zachtjes in knijpen, om haar een teken te geven dat ik haar aanwezigheid kon voelen, maar ik slaagde er zelfs niet in om mijn vinger op te tillen. Het leek wel alsof die een ton woog, net zoals mijn oogleden. Ze gaf me een zoen. &lt;br /&gt;Het was net een droevige film: ik, een levende geest in een dood lichaam, met huilende familieleden om me heen die hoopten dat ik ooit weer mijn ogen zou openen, maar vreesden dat er een dag kwam waarop de machines werden stilgezet. Zulke dingen gebeurden dagelijks, maar je verwacht nooit dat het jou overkomt. Had dokter Velasquez maar gelijk. Kon ik inderdaad maar niet horen, niet voelen. Nu zat ik gevangen in mijn eigen lichaam, niemand die me kon bevrijden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In het begin bezochten Patrick en Jessy me dagelijks. Elke keer als de deur van mijn kamer openging, kon ik wel huilen van geluk omdat de eenzaamheid van de eeuwigdurende nacht eindelijk voorbij was. Ook al gingen ze ervan uit dat ik hen niet kon horen, toch praatten ze tegen me. Gelukkig maar. Het deed me ontzettend veel deugd om hun stemmen te horen. Jessy kletste maar door over school en over Boemerang, onze kater. Patrick op zijn beurt fluisterde in mijn oor dat alles wel goed kwam, al kon ik aan zijn stem horen dat hij dat zelf niet geloofde. Zijn kussen voelden kil en onwennig aan, maar dat gaf niet. Ik was allang blij dat ik hem kon horen, voelen en ruiken.&lt;br /&gt;Maar alles went. Na verloop van tijd begonnen hun bezoekjes een voorspelbare, vervelende routine te worden. Ik vermoedde dat zij er net zo over dachten, want ze kwamen steeds minder vaak langs en als ze kwamen, bleven ze nooit langer dan enkele minuten. Het was alsof ze me niets meer te vertellen hadden, alsof ze begrepen dat het geen zin had om tegen een muur te praten die nooit antwoord gaf, alsof ik een blok aan hun been was. Ik kon het hen nauwelijks kwalijk nemen. Zelf had ik de hoop op genezing min of meer opgegeven. De diagnose van onomkeerbare coma was dan ook allesbehalve bemoedigend. Ik vroeg me af waarom ze niet gewoon de stekker eruit trokken. Waarschijnlijk hoopten ze op een medisch wonder.&lt;br /&gt;Ik bracht mijn dagen en nachten door in een panorama van angst, frustratie en vervagende herinneringen, luisterend naar de gedempte geluiden op de gang, het geroddel van de verpleegsters en het hypnotiserende gezoem en gepiep van de machines waaraan ik gekluisterd was. Wachtend, wachtend en wachtend… wachtend tot die verdovende routine eindelijk doorbroken zou worden door goed nieuws. Iemand die mijn teen had zien bewegen, of me met mijn ogen had zien knipperen. Ik had het al zo vaak geprobeerd, telkens als de verpleegster mijn luier kwam verschonen of me voeding gaf via de sonde, maar er was niemand die het zag. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op een dag die even vergankelijk en betekenisloos leek te worden als de voorgaande, gebeurde er iets. De kamerdeur werd bijna onhoorbaar geopend. Door de stilte op de gang en de symfonie aan slaapgeluiden van andere patiënten wist ik dat het nacht was. Het bezoekuur was natuurlijk al lang afgelopen, dus het kon onmogelijk Patrick zijn. De nachtzuster was het ook niet, die sloeg mijn kamer immers altijd over tijdens haar ronde. De deur ging weer toe en de bezoeker kwam in stilte dichterbij. &lt;br /&gt;Ik spitste al mijn nog werkende zintuigen. Dokter Velasquez!? Ik herkende hem aan zijn goedkope aftershave en de schuifelende voetstappen waarmee hij zich over het linoleum sleepte. Toen hij vlak naast mijn bed halt hield, kon ik zijn schokkende, slikkende ademhaling horen. Het deed me denken aan het geile gehijg van Patrick als hij zich voorbereidde op een vrijpartij. &lt;br /&gt;Plots voelde ik hoe hij mijn gezicht aanraakte, hoe hij een haarlok uit mijn gesloten ogen haalde en me kuste. Als er geen toestel was dat mijn ademhaling zou regelen, zou dat het moment geweest zijn waarop mijn adem afgesneden werd. Mijn vingers jeukten om hem van me af te duwen, maar mijn zenuwen reageerden niet op de bevelen die mijn hersenen verstuurden. Ik kon niets anders dan ondergaan wat dokter Velasquez met me van plan was. &lt;br /&gt;Terwijl hij met zijn ene hand over mijn wang aaide, gleed zijn andere onder de lakens naar mijn borst. Hij kneedde erin en fluisterde in mijn oor. ‘Ik ga jou vannacht iets geven wat je al lang niet gekregen hebt. Het komende uur ben jij helemaal van mij. Alleen van mij.’ &lt;br /&gt;Smeerlap, dacht ik. Het woord brandde op mijn lippen. In gedachten wrikte ik me los, maar in realiteit bleef ik stokstijf liggen. Ik wilde huilen uit onmacht, schreeuwen van woede, maar er gebeurde niets. Mijn emoties bleven binnen de grenzen van mijn eigen lichaam.&lt;br /&gt;Dokter Velasquez kroop nu bij me op bed, verwijderde de lakens, zette zich schrijlings op mij en boog zich over me heen. Hij likte mijn gezicht net zoals een gulzig kind aan zijn smeltende ijsje zou likken. Zijn tong leek wel een glibberige, spartelende vis die op het droge was aangespoeld. Ik kon zijn walgelijke speeksel proeven. Het geluid en de geur van zijn gehijg deden me walgen. Een van zijn handen gleed vervolgens van mijn borsten naar mijn kruis. Zijn vinger glipte onder mijn nachtkleed en drong moeizaam bij me naar binnen. ‘Te droog,’ zuchtte hij, ‘daar weet ik wel iets op.’ &lt;br /&gt;Mijn denkbeeldige gegil vervloog in het ijle. &lt;br /&gt;Ik hoorde hoe hij iets uit zijn zak nam. In mijn gedachten zag ik hem een kwak glijmiddel uit een tube in zijn hand spuiten. Daarna stak hij opnieuw zijn vinger in mij. Eerst een, vervolgens twee. Hij liet ze op en neer glijden en stemde zijn ademhaling af op het ritme van zijn hand. Wat er met mij gebeurde was zo onwezenlijk dat mijn versufte geest het amper kon bevatten. &lt;br /&gt;Zijn rits ging open. ‘Houd je klaar, schatje, hier komt-ie,’ waarschuwde hij. &lt;br /&gt;Ik probeerde de vreselijke realiteit uit mijn hoofd te verbannen door herinneringen aan vroeger op te halen. Ik dacht aan die heldere lentedag toen ik met Patrick op huizenjacht ging, hoe we als bij wonder onmiddellijk een ruime gezinswoning voor een goede prijs vonden en hoe gelukkig we waren toen we onze handtekeningen onder de verkoopakte hadden gezet. &lt;br /&gt;Dokter Velasquez stootte zijn ding naar binnen. Een pijnscheut golfde van mijn kruis tot in mijn bekken. Hij was groter dan Patrick en bezorgde me het gevoel dat ik vanonder ging scheuren. &lt;br /&gt;De brandende pijn herinnerde me aan Jessy’s geboorte. Mijn kleine meisje. Ik hield van haar pruillipje en de gespeelde boze blik in haar blauwe ogen – dezelfde ogen als Patrick – als ze te horen kreeg dat ze geen koekje mocht eten voor het avondmaal. &lt;br /&gt;Hij ging tekeer met het ritme en de kracht van een drilboor. Zijn gehijg ging over in gekreun. ‘Kom op, slet,’ siste hij, ‘laat zien wat je kunt!’ &lt;br /&gt;Mijn gedachten gleden af naar Boemerang en de manier waarop hij nonchalant tussen de cactussen op de vensterbank zigzagde, hoe hij kopjes tegen mijn schenen gaf als hij honger had en hoe hij alleen maar door mij gestreeld wilde worden en door niemand anders. &lt;br /&gt;Zijn stoten werden steeds harder, steeds brutaler, steeds sneller. Niet veel later perste hij een zegevierende kreun uit zijn mond: ‘Jaaa, ik kom!’ &lt;br /&gt;Zijn warme zaad stroomde bij me naar binnen. In mijn gedachten huiverde ik. Als ik controle had gehad over mijn lichaam, zou ik kokhalzen en braken, maar ik lag daar als een plant, niet in staat om te reageren. Waarschijnlijk was het datgene waar Velasquez op kickte: de macht, de controle over zijn weerloze slachtoffer. Vervolgens slaakte hij een diepe zucht, als een fietsband die langzaam leegliep. Zijn rits ging weer dicht. Op dat moment schoot er een koude kramp door mijn onderbuik. De klootzak had geen condoom gebruikt. Dat betekende dat ik binnenkort met een kind van hem zat opgescheept. Nee, onmogelijk. Zo stom kon hij toch niet zijn? Daarmee zou hij zijn eigen graf delven, want Patrick zou natuurlijk ontkennen dat hij er ook maar iets mee te maken had. Nee, vermoedelijk had hij op de een of andere manier via de sondevoeding een anticonceptiemiddel bij me ingebracht. Dat moest wel… De kramp ebde langzaam weg, maar de angstgedachte bleef in mijn hoofd rondspoken.&lt;br /&gt;Velasquez liet zich tenslotte van het bed zakken, maakte me helemaal schoon, gaf me een natte zoen en schuifelde tenslotte met een voldaan ‘Tot volgende keer, schatje’ de gang op.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Er kwamen nog veel volgende keren. Na verloop van tijd raakte ik zelfs de tel kwijt. Hoe je het ook draait of keert, alles went, zelfs het te grote lid van dokter Velasquez. Ik was al blij dat hij me niet zwanger had gemaakt. Zijn bezoekjes werden een routine: zijn gehijg, zijn natte tong, zijn ding in mij en het heftige stoten tot hij kreunend klaarkwam. Ik schrok ervan hoe cynisch het me maakte, hoe onverschillig het me uiteindelijk liet. Daarentegen richtte ik mijn woede op Patrick, omdat ik vond dat hij me in de steek liet. Ik begon me af te vragen of hij iemand anders had. Waarschijnlijk wel, geen enkele man kan zonder een vrouw. Kijk maar naar die verdomde Velasquez. Ik miste Jessy nog wel, maar dat gemis werd met de dag minder. Het leek wel alsof elke keer dat ik verkracht werd, een stukje menselijkheid van mij werd afgenomen. Net daarom lukte het me steeds beter om mijn geest voor die verschrikking af te sluiten. Mijn herinneringen aan vroeger vormden de muur die me afschermde voor de bittere, gruwelijke werkelijkheid die zich in mijn kamer afspeelde. Echter, voor één ding moest ik dokter Velasquez dankbaar zijn. Hij had er namelijk voor gezorgd dat mijn wil om te ontwaken sterker, vuriger was dan ooit tevoren. Tijdens de eindeloos lange dagen die ik aan de machines doorbracht kon ik nog maar aan één ding denken: wraak. &lt;br /&gt;Ik had mezelf ervan overtuigd dat ik een medisch wonder zou worden. De kranten zouden over mij schrijven, het nieuws zou de belangrijkste televisiekanalen halen. Artsen overal ter wereld zouden zich over mijn miraculeuze wederopstanding buigen en naar revolutionaire technieken zoeken om andere comapatiënten uit hun diepe slaap te wekken. Patrick zou zijn nieuwe liefde dumpen en we zouden weer onze ruime gezinswoning betrekken waar we samen gelukkig konden zijn. En dokter Velasquez… ik had nog tijd genoeg om voor hem een gepaste straf te bedenken. &lt;br /&gt;Ik had mezelf het absurde idee aangepraat om elke dag oefeningen te doen. Vingeroefeningen en teenoefeningen, van ’s morgens tot ’s avonds, tot ik het er warm van kreeg. Als de verpleegster me kwam wassen of mijn lakens kwam verschonen, probeerde ik haar aandacht te trekken. Mijn pogingen gingen telkens opnieuw aan haar voorbij, maar ik wist dat het me op een dag zou lukken, als ik maar lang genoeg bleef oefenen.&lt;br /&gt; Er brak een moment aan dat ik alleen nog maar bezoek kreeg van dokter Velasquez. Blijkbaar had Patrick de hoop definitief opgegeven. Ik kon het al zo voor mij zien, hij en zijn nieuwe lief hand in hand wandelend in het park, lachend en flirtend, de herinneringen aan mij volledig uit zijn geest verbannen. Ik wist niet hoeveel weken of maanden ik al in dit stomme bed lag. Misschien was het wel al meer dan een jaar. Nee, onmogelijk, dat zou betekenen dat Patrick mijn verjaardag vergeten was. Had hij me al zo snel uit zijn hoofd gezet?&lt;br /&gt;Waarom trokken ze niet gewoon de stekker eruit? vroeg ik me opnieuw af. Als ik niet wakker werd, kon ik hier wel tot in de eeuwigheid liggen. Een spontane dood of een stroompanne zouden mijn enige uitweg zijn. Nee, zo mocht ik niet denken. Ik was vastbesloten om te ontwaken. Ik wilde wraak nemen op het monster dat me misbruikte als een seksspeeltje waarop hij zijn morbide fantasieën botvierde. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op een nacht nadat dokter Velasquez me tot tweemaal toe verkracht had, kreeg ik een gruwelijke nachtmerrie. Hij – het monster – stond samen met Patrick, Jessy en een aantal verre, onherkenbare familieleden aan mijn bed. Ze discussieerden over wat er met mij moest gebeuren nu ik al jaren zonder enig vooruitzicht op genezing aan die machines gekluisterd lag. Uiteindelijk zei Patrick dat ze de machines mochten afzetten. &lt;br /&gt;Weinig later hoorde ik hoe het gezoem en het gepiep rondom mij verstomde. Ze hadden me werkelijk laten doodgaan, maar vreemd genoeg gingen mijn gedachten verder en kon ik hen nog steeds horen. Ik hoorde Patrick en de verre familieleden over mijn begrafenis praten, over welke liedjes er gespeeld zouden worden en over wie zou voorlezen in de kerk. Enkele dagen later was het zover. Ze hadden me in een houten kist gestoken en lieten me in een diepe put zakken. Ik hoorde het zand op de kist vallen tot ik helemaal afgesloten was van de wereld der levenden. Vreemd genoeg was ik helemaal niet dood. Ik lag daar nog steeds, levend begraven, de gedempte geluiden van de wereld aanhorend en niet in staat om mezelf te bevrijden. Ik zat gevangen tot in de eeuwigheid, alleen met mijn gedachten. &lt;br /&gt;Op het moment dat ik een stille schreeuw uit mijn longen wilde persen, werd ik uit mijn nachtmerrie gewekt door het vrolijke gezang van de schoonmaakster die haar ochtendronde deed. Ze opende het raam en ik kon de lente ruiken die naar binnen waaide. Ik beeldde me in dat ik door het raam naar buiten keek. In de verte floten vogeltjes. Ik liet de geuren en de geluiden tot me doordringen. Ze deden me mijn nachtmerrie meteen vergeten, maar opeens werd de vredige rust verstoord door een scherpe, luide gil. &lt;br /&gt;Ze heeft het gezien, dacht ik, ze heeft mijn vinger zien bewegen. Na weken en maanden te hebben geprobeerd, had iemand het eindelijk opgemerkt. Een explosie van vreugde zinderde door mijn hele lichaam. Mijn geest vulde zich met het groen van het seizoen dat nieuw leven aankondigde. Veel symbolischer kon mijn wederopstanding niet zijn. Ik hoorde hoe de schoonmaakster de gang op liep en als een hysterische gekkin de verpleegsters toeschreeuwde. ‘Ze is wakker!’ klonk het vreugdevol. Het was het mooiste wat ik ooit had gehoord. Tegen de tijd dat de eerste verpleegster kwam aangestormd en haar ongeloof uitstamelde, gingen mijn ogen open. Het witte licht in de kamer was zo fel dat ik ze meteen weer sloot, maar in de korte tijd dat ze open waren, kon ik een silhouet van de omgeving onderscheiden. Ik leefde weer! &lt;br /&gt;Sindsdien ging het allemaal erg snel. Ik werd verhuisd naar een andere afdeling waar een therapeut en een andere arts zich over mij ontfermden. Dokter Velasquez kreeg ik vreemd genoeg niet te zien, hoewel hij al die tijd mijn behandelend arts was. Ik vermoedde dat hij de confrontatie met zijn slachtoffer niet aankon. Of was hij misschien bang dat ik me iets zou herinneren en hem zou aangeven? Hoewel hij plots uit mijn leven verdween, was ik hem niet vergeten. Nooit zou ik hem kunnen vergeten. &lt;br /&gt;Omdat ik lange tijd in coma had gelegen, moest ik allerlei proeven ondergaan om te kijken of ik geen permanente letsels had opgelopen. Toen dat niet het geval bleek te zijn, kon het herstel beginnen. De meest basale dingen moest ik weer aanleren. Elke dag kreeg ik speciale spieroefeningen van de therapeut, de sondevoeding werd langzaamaan afgebouwd en ik leerde opnieuw eten. Daarna volgde het praten. Het was zo lang geleden dat ik vergeten was hoe mijn eigen stem klonk. De eerste woorden die over mijn lippen rolden waren “Patrick” en “Jessy”. Waarom hadden ze me nog steeds niet bezocht sinds ik ontwaakt was? &lt;br /&gt;Tranen welden op in mijn ogen toen de therapeut me vertelde dat Patrick enkele maanden na mijn ongeval zelfmoord had gepleegd en dat Jessy opgevangen werd door pleegouders mijlenver hiervandaan. Het klonk zo onwezenlijk dat ik het gewoonweg niet kon geloven. Terwijl de tijd binnen de muren van mijn ziekenhuis stil had gestaan, was hij erbuiten onverminderd en genadeloos verder gegaan. Meteen betreurde ik het feit dat ik Patrick van ontrouw had verdacht. Ik wilde opnieuw in een lange, diepe slaap vallen, om alles te vergeten, maar de zin om te leven flakkerde weer op toen de therapeut eraan toevoegde dat Jessy me later op de week een bezoekje zou brengen met haar pleegouders. Eindelijk zou ik mijn kleine meisje weerzien. Na het treurige nieuws over Patrick had ik geen zin meer om die dag nog spieroefeningen te doen. Ik wilde alleen maar uit het raam staren, naar de bomen en de wolken, en wachten op morgen.&lt;br /&gt;Het weerzien met Jessy verliep niet zoals ik gehoopt had. Mijn kleine meisje drentelde de hele tijd ongemakkelijk rond haar nieuwe ouders, alsof ze bang was voor mij, alsof ze mij niet meer kende. Ze durfde me niet eens een te kus geven, zelfs niet toen ik daar met mijn broze stem om smeekte. Ik kon wel huilen van verdriet, maar was zo verbitterd dat er geen tranen kwamen. Waarschijnlijk was ze nog te jong om de situatie te begrijpen, dus vergaf ik het haar zoals moeders doen, maar de wrok en de woede in mij begonnen weer op te laaien. Steeds vaker dacht ik aan Velasquez en hoe ik hem zou straffen voor wat hij me had aangedaan. Zoals hij zijn lusten op mij had botgevierd, wilde ik mijn frustraties op hem afreageren. &lt;br /&gt;De daaropvolgende dagen bracht ik veel tijd door in de gymzaal. Ik deed er meer krachtoefeningen dan noodzakelijk was omdat ik zo snel mogelijk uit dat vervelende ziekenhuis weg wou. Daarnaast kreeg ik psychologische bijstand. Na een aantal weken leerde ik weer lopen. In het begin voelden mijn benen aan als spaghetti in kokend water en moest de therapeut me ondersteunen omdat ik anders zou vallen. Soms had ik zin om op te geven, maar ik bleef volhouden. Ik had namelijk een missie. Toen ik uiteindelijk weer kon lopen en mijn spraakvermogen helemaal had teruggevonden, was het moment aangebroken waarop ik het ziekenhuis mocht verlaten.&lt;br /&gt;Ik kon niet terug naar huis, want dat was verkocht door Patricks ouders die in het buitenland woonden. Het werd nu bewoond door een ander gezin; een gelukkig gezin. Aangezien mijn ouders enkele jaren geleden overleden waren, kon ik ook daar niet terecht. Gelukkig kreeg ik een sociale woning toegewezen via de overheid en had ik recht op een uitkering. &lt;br /&gt;De eerste weken verliepen erg moeizaam. Ik bleef zo veel mogelijk binnen, afgezien van de noodzakelijke bezoekjes aan de supermarkt. Ik sloot me af voor mijn vroegere leven en vond nooit de moed om contact op te nemen met Jessy of met oude vrienden. Ik had aan alles een hekel gekregen. Ook al had ik net geen jaar in coma gelegen, het leek wel of de wereld rondom mij helemaal veranderd was en ik er niet meer in thuishoorde. Ik trok me op aan de gedachte dat ik dokter Velasquez binnen afzienbare tijd een lesje zou leren. Opgesloten tussen de vier muren van mijn troosteloze appartementje beraamde ik een plan.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op een miezerige avond in mei besloot ik om mijn plan uit te voeren. Na alles tot in de kleinste details uitgekiend te hebben, nam ik de bus naar het ziekenhuis waar ik de ellendigste dagen uit mijn leven had beleefd. Toen ik dat vaalgrijze gebouw in de verte zag opdoemen, omringd door sombere regenwolken, kreeg ik rillingen. De herinneringen aan dokter Velasquez kwamen opnieuw naar boven. Ik troostte mezelf met de wetenschap dat hij vandaag zou boeten voor wat hij mij had aangedaan. &lt;br /&gt;Ik stapte uit ter hoogte van de hoofdingang en liep langs een grasperk naar de personeelparkeerplaats die naast het gebouw lag. De parkeerplaatsen waren van elkaar gescheiden door pas gesnoeide heggen. Terwijl ik langs de dure wagens struinde, klemde ik mijn hand stevig rond het pistool dat ik op de zwarte markt gekocht had: een eenvoudig model waarvan ik de merknaam niet eens kende. Er zaten geen kogels in, ik was immers niet van plan om iemand neer te schieten. Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.&lt;br /&gt;Ik wist meteen waar ik moest zijn, aangezien ik het parkeerterrein enkele dagen voordien al verkend had. Ik wilde niets aan het toeval overlaten. Ergens in een hoekje, bij een perk met flink opgeschoten struikgewas en enkele bomen, stond zijn zwarte Mercedes, even donker als de avond. Het licht van de oranje lantaarn weerkaatste op het glanzende koetswerk. De aangrenzende parkeerplaatsen waren leeg. Ik liep naar de voorkant van de wagen en toen ik het naamplaatje op het houten paaltje nakeek voor de zekerheid, kreeg ik bijna een hartstilstand van opwinding: dokter Julio Velasquez. &lt;br /&gt;Onrustig keek ik om me heen om te controleren of niemand me in het oog hield, maar het parkeerterrein was stil en verlaten. Het was al laat en waarschijnlijk zou het niet lang meer duren vooraleer dokter Velasquez zijn dag erop zat. &lt;br /&gt;Toen ik er zeker van was dat niemand me in de gaten hield, verstopte ik me achter een boom aan de voorkant van de Mercedes, mijn ogen op de uitgang van het ziekenhuis gericht. Tevergeefs probeerde ik mijn schokkende ademhaling onder controle te krijgen. Ik voelde hoe mijn handen in mijn zakken steeds meer begonnen te beven, zo erg zelfs dat ik ze tot vuisten balde. Meer dan ooit was ik bang, bang dat er iets mis zou gaan. Heel even overwoog ik zelfs om naar huis terug te keren, maar ik bedacht me snel. Dat monster zou zijn verdiende loon krijgen. Vanavond nog. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Er gingen verschillende mensen naar binnen en naar buiten. Bezoekers, dokters en ander personeel. De tijd ging ontzettend langzaam voorbij en ik kreeg krampen in mijn benen van het lange stilstaan. Na ongeveer een halfuur werd mijn geduld beloond. Een kleine, pafferige man in een te groot maatpak en een aktetas onder zijn arm, waggelde met kleine passen het parkeerterrein op. Hij kwam mijn richting uit. Dit was voor mij het signaal om de rol met plakband uit mijn tas te nemen. Ondertussen bestudeerde ik hem vanuit mijn schuilplaats. Hij floot een mij onbekend deuntje. Een twintigtal meter bij mij vandaan opende hij zijn wagen met de afstandsbediening. Hij was het: mijn verkrachter, een perverse vetzak met zieke fantasieën. Ik voelde de woede in mij opborrelen bij zijn vrolijkheid. Ik haalde het pistool uit mijn jaszak en zette me schrap.&lt;br /&gt;Toen hij, nog steeds fluitend, de voordeur van zijn Mercedes opende en de aktetas op zijn achterbank gooide, liep ik met het pistool voor mij uit naar hem toe. In het licht van de lantaarn zag ik hoe zijn glimlach plaatsmaakte voor een grimas van angst, verbazing en verrassing. &lt;br /&gt;‘Hè, wat…?’ stamelde hij.&lt;br /&gt;Zijn stem klonk anders dan in mijn herinneringen. Waarschijnlijk uit angst, dacht ik. Ik haalde een zakdoek uit mijn jaszak en gooide die naar hem toe.&lt;br /&gt;‘Vooruit, in je mond,’ beval ik hem, ‘en waag het niet om te schreeuwen of ik knal een gaatje in je vette kop.’&lt;br /&gt;‘Neem mijn portefeuille, hij ligt op de achterbank. Maar laat mij alsjeblieft met rust,’ smeekte hij.&lt;br /&gt;‘Ik wil je geld niet, vetklep. Ik wil dat je boet!’&lt;br /&gt;‘Boeten? Waarvoor in hemelsnaam?’&lt;br /&gt;Hij klonk nu echt wanhopig.&lt;br /&gt;‘Houd je maar van de domme,’ snauwde ik hem toe. ‘En steek die zakdoek in je mond of ik knal je kop eraf.’&lt;br /&gt;Ik prikte de loop van het pistool in zijn dubbele kin waarop hij me snikkend gehoorzaamde. Er liepen tranen over zijn bolle wangen. Net goed, dacht ik. Voor de zekerheid kleefde ik een groot stuk plakband op zijn mond zodat de zakdoek op zijn plaats bleef zitten. Daarna duwde ik hem op de stoel achter het stuur en nam zelf plaats op de bank achter hem. Terwijl ik hem met de ene hand onder schot hield, nam ik met de andere het touw uit mijn tas. Vervolgens haalde ik het meerdere malen rond zijn lichaam en de stoel. Het ging verbazend gemakkelijk allemaal. Dokter Velasquez was zo verlamd door angst dat hij zich nauwelijks verzette, zijn ogen schichtig in de achteruitkijkspiegel kijkend, zijn gemekker gedempt door de zakdoek in zijn mond. In een mum van tijd had ik hem helemaal vastgebonden.&lt;br /&gt;Toen hij geen kant meer op kon, stapte ik uit om vervolgens op de passagiersstoel naast hem te gaan zitten. Ik legde mijn revolver op het dashboard en haalde een mes – het scherpste vleesmes dat ik in de supermarkt kon vinden – uit mijn tas. Grijnzend stak ik het lemmet omhoog en keek naar de schittering die erin weerkaatste. Dokter Velasquez, die zijn hoofd amper kon bewegen omdat ik hem zo strak had gekneveld, keek krampachtig opzij. De blik in zijn ogen was er een van doodsangst.&lt;br /&gt;‘Met dit mes, beste dokter Velasquez, ga ik doen wat iemand al veel eerder had moeten doen.’&lt;br /&gt;Toen ik met mijn vrije hand zijn gulp opende, had hij klaarblijkelijk de kracht teruggevonden om tegen te stribbelen. Hij probeerde zich schuddend los te wrikken, maar het touw zat zo vast dat hij al snel zijn poging staakte. Zijn voorhoofd werd klam van de inspanning en zijn gezicht vuurrood.&lt;br /&gt;‘Doe geen moeite,’ lachte ik.&lt;br /&gt;Ik deed zijn gulp open, graaide zijn pik uit zijn onderbroek en bekeek hem minachtend. Hij was kleiner dan ik verwacht had, afgaande op de pijn die het in mij veroorzaakt had. Waarschijnlijk van de schrik, dacht ik. Toen ik het mes ertegen zette en een klein sneetje in het verschrompelde vel maakte, deed hij een poging om te gillen, maar de zakdoek hield alles tegen. &lt;br /&gt;‘Nooit zal jij die lul van jou nog in een vrouw steken,’ snauwde ik, en toen zette ik het kille lemmet in zijn vlees. Het was taaier dan ik verwacht had, want het duurde even voor het er helemaal af kwam. Bovendien trilde mijn hand zodanig dat ik enkele keren uitschoot. Uiteindelijk knapte het laatste stuk weefsel door en had ik zijn lul tussen mijn duim en wijsvinger. Ik liet hem even uitdagend bengelen voor zijn ongelovige ogen. &lt;br /&gt;In enkele seconden tijd was de Mercedes een smeerboel geworden: zijn bloed stroomde naar buiten, tussen zijn zwarte schaamhaar, over zijn broek, op mijn handschoenen en op de stoel. Al die tijd zat hij te spartelen en te kermen van de pijn. Tranen vloeiden over zijn wangen en vermengden zich met het bloed op zijn broek.&lt;br /&gt;‘Schreeuw maar, niemand kan je horen.’&lt;br /&gt;Ik gooide zijn lul door het raampje naar buiten en zette me vervolgens op zijn schoot, met mijn gezicht naar hem toe. &lt;br /&gt;‘Ik ben nog niet klaar met jou,’ zei ik koel. ‘Kijk maar eens goed naar dit gezicht en zorg dat je het nooit meer vergeet.’&lt;br /&gt;Opnieuw die angstige blik in zijn ogen. Het snot sijpelde uit zijn neus. Ik had geen medelijden met hem. Niet nu, daarvoor was ik te woedend. Ik droogde het mes aan zijn hemd en zette de punt tegen zijn blinkende voorhoofd. &lt;br /&gt;‘Ik zal je niet vermoorden. Maar,’ voegde ik eraan toe, ‘voor ik je laat gaan zal ik ervoor zorgen dat iedereen weet wat voor een klootzak jij bent.’&lt;br /&gt;Toen kraste ik de letter v in zijn roze vlees. Hij begon opnieuw te krijsen, maar het plakband bleef goed op zijn plaats zitten en hield bijna alles tegen. Vervolgens sneed ik de letter e, de r en zo voort, tot in een bloederig geschrift het woord “verkrachter” in zijn voorhoofd gekerfd stond. Klein genoeg zodat het woord precies op zijn kop paste, groot genoeg zodat iedereen het duidelijk kon lezen. Met enige trots keek ik naar mijn creatie, mijn kunstwerk.&lt;br /&gt;‘Nu weet ik wel zeker dat jij nooit nog een vrouw zult aanranden,’ zei ik tenslotte.&lt;br /&gt;Zonder hem verder aan te kijken grabbelde ik al mijn spullen bij elkaar, stapte ik uit, drukte mijn naaldhak in zijn pik die op het asfalt in een plasje bloed lag en verliet voldaan het parkeerterrein. &lt;br /&gt;Ik keek nog één keer achterom en besloot toen om naar huis te gaan. Daar zou ik wachten. Ik deed zelfs de moeite niet om het mes ergens te dumpen. Met het geronnen bloed nog aan het lemmet stak ik het weer in mijn tas. Bij de ingang van het ziekenhuis hield ik een taxi tegen. Binnen enkele ogenblikken zou Velasquez alles opbiechten en dan was het slechts een kwestie van tijd voor de flikken me zouden vinden en me de cel in zouden gooien. Het kon me niet schelen, ik had toch niets meer om voor te leven. Patrick was dood en Jessy had een nieuwe moeder. Ik had alleen mijn wraak, maar dat was genoeg.&lt;br /&gt;Na een goed uur was ik thuis. Ik ging ervan uit dat ze Velasquez inmiddels gevonden hadden in zijn wagen. Waarschijnlijk lag hij nu op de spoedafdeling waar hij door de artsen  werd opgelapt. Het gebouw zou omsingeld zijn door agenten en nieuwsgierige journalisten. Misschien was het nieuws zelfs al op het journaal. Ik had geen behoefte om de televisie aan te zetten. Velasquez was een afgesloten hoofdstuk. Dus nam ik een hete douche om alle vuiligheid, alle zonden weg te wassen. Daarna ging ik meteen naar bed. Ik nam een slaappil – die had ik in overvloed om de nachtmerries sinds het ongeval te onderdrukken – en dwong mezelf om te slapen, maar de gebeurtenissen van de afgelopen avond dreunden voortdurend door mijn hoofd. Na enkele uren viel ik uiteindelijk in een ondiepe slaap. &lt;br /&gt;De volgende ochtend werd ik gewekt door felle zonnestralen die mijn gezicht beschenen. Van regenwolken was niets meer te bespeuren. Ik stond op en liep naar de badkamer waar ik opnieuw een douche nam, net zolang tot het warme water op was. Op het moment dat ik de kraan toedraaide, &lt;br /&gt;stonden er vier agenten voor mijn neus, waarvan twee in burger. Ik had ze niet horen binnenkomen door het klaterende water. &lt;br /&gt;Eentje nam mijn pyjama van de kapstok en gebood me mezelf aan te kleden, een andere beval me om mee te komen op verdenking van moord. Was hij doodgebloed? Ach, dat was dan maar zo. Het belangrijkste was dat ik mijn wraak beet had en eindelijk innerlijke rust had gevonden. Ik kleedde me aan en liet me gewillig in de boeien slaan. Een halfuur later zat ik in het politiebureau tegenover een grijzende inspecteur. Ik was niet van plan het hem moeilijk te maken. &lt;br /&gt;Ik biechtte alles op. Eerst vertelde ik over het ongeluk, dan over het coma en over Jessy en Patrick die me steeds minder bezochten. Vervolgens over dokter Velasquez en zijn obscene fantasietjes. Ik beschreef tot in detail hoe hij me verkrachtte, hoe hij in me klaarkwam en hoe hij dit zo vaak deed dat ik de tel kwijtraakte. De inspecteur hoefde niet aan te dringen, ik vertelde hem alles wat hij wilde weten. Het kwam er zo vlot uit dat ik er zelf versteld van stond. Geen traan, geen hapering, niets. &lt;br /&gt;De inspecteur zakte steeds dieper weg in zijn stoel. Toen ik op het punt stond mijn wraakplan tot in de details te beschrijven, werd hij plots uit de verhoorkamer geroepen.&lt;br /&gt;Uit het onverstaanbare gepraat op de gang kon ik afleiden dat er iets aan de hand was. Ongeduldig begon ik op mijn vingernagels te bijten. Ik keek voortdurend naar de deur, probeerde de gesprekken erachter af te luisteren, maar slaagde daar tot mijn frustratie niet in.&lt;br /&gt;Pas een kwartier later kwam de inspecteur weer binnen en schuifelde met hangende schouders naar zijn stoel. Met een diepe zucht ging hij zitten. Hij keek mij aan. Zijn mondhoeken hingen naar beneden en zijn ogen waren vochtig.&lt;br /&gt;‘Wat is er?’ vroeg ik hem.&lt;br /&gt;‘Die Julio Velasquez, hebt u hem ooit gezien nadat u uit uw coma bent ontwaakt?’&lt;br /&gt;‘Nee. Dat wilde ik niet. Ik was bang dat ik hem dan als een mens zou beschouwen en zou terugkrabbelen.’&lt;br /&gt;De inspecteur keek naar zijn handen.&lt;br /&gt;‘Hoezo?’ drong ik aan.&lt;br /&gt;‘Julio Velasquez is een kinderarts. Hij is de broer van Andres Velasquez, de coma-arts die verantwoordelijk was voor uw herstel. Ze werken beiden in hetzelfde ziekenhuis, nu ja &lt;span style="font-style:italic;"&gt;werkten&lt;/span&gt;.’&lt;br /&gt;Ontredderd keek ik naar de twee agenten die met zware passen de verhoorkamer binnenkwamen. Ze tilden me van mijn stoel en brachten me naar buiten. Ik dacht eraan om weerstand te bieden, maar mijn lichaam was verlamd door de schok. Ik slaagde er alleen nog in om achterom te kijken, naar de inspecteur die ineengekrompen op zijn stoel zat en me vol medelijden aanstaarde.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-4097817693460590849?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/4097817693460590849/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/12/nooit-meer-wakker-worden.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4097817693460590849'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4097817693460590849'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/12/nooit-meer-wakker-worden.html' title='Nooit meer wakker worden'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-4300916836760427068</id><published>2011-11-28T18:16:00.002+01:00</published><updated>2011-11-28T18:22:23.671+01:00</updated><title type='text'>Redder in nood</title><content type='html'>De zak met vijf kilo heroïne lag nog steeds waar Chase hem voor zijn gevangenschap verborgen had: onder de plankenvloer van een sinds jaren leegstaand vakantiehuis bij het Kristalmeer. Vroeger werd dit domein druk bezocht door uitgelaten kinderen die de zomervakantie al zwemmend of spelend in het donkere naaldbos doorbrachten. Nu was het doods en verlaten. Wegens bodemverontreiniging  was het domein afgesloten en de gemeente had geen geld om daar iets aan te doen. Er kwamen dus al jaren geen mensen meer. Ideaal om de buit van een uit de hand gelopen drugroof tijdelijk onder te brengen om zo uit het vizier van de politie te blijven. &lt;br /&gt;Ondertussen was de kust veilig en Chase trok een half weggerotte plank omhoog. Hij nam de zak met beide handen vast en ging er mee op de versleten zitbank naast een gebroken raam zitten. Het mobieltje dat in zijn achterzak gekneld zat legde hij naast zich neer. Uit de borstzak van zijn hemd haalde hij een spiegeltje, uit zijn portefeuille een bankkaart en een bankbiljet dat hij tot een kokertje rolde. Vervolgens opende hij de zak en maakte een lijn die hij in twee halen naar binnen snoof. Met een zucht liet hij zich achterover vallen, staarde naar het beschimmelde plafond, luisterde naar het getrommel van de regen op het dak en gaf zich over aan de roes. &lt;br /&gt;Vijf kilo zuivere heroïne. Als hij dat spul verkocht kreeg, dan hoefde hij niet langer door het leven te gaan als een ordinaire straatdealer. Dan kon hij zich rekenen tot de grote jongens, zijn terrein uitbreiden, een toekomst uitbouwen. En zijn geld uitgeven aan een hoertje, want na twee jaar brommen snakte hij naar heteroseks. &lt;br /&gt;Langzaamaan bereikte de heroïne zijn bloedbanen. Zijn lippen krulden tot een glimlach en hij keek naar de oranje avondzon die geflankeerd werd door donkere regenwolken tot zijn ogen langzaam dichtvielen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een schel geluid wekte Chase uit zijn roes. Even dacht hij dat het zijn verbeelding was, maar toen hoorde hij het weer. Luider, dwingender. Hij veerde recht van de zitbank en spitste zijn oren. Het klonk als gedempt gegil van een vrouw. In een poging de bron ervan te lokaliseren liep hij naar buiten, maar toen hij daar niets meer hoorde, keerde hij terug. In het deurgat bleef hij als bevroren staan. Het geluid kwam van binnen en die gedachte deed zijn hart overslaan. Opeens besefte hij dat het geluid van onder hem kwam, uit de kelder. Was hier een kelder dan?&lt;br /&gt;Chase liep naar de achterkant van het vakantiehuis en ontdekte een vergrendelde deur die hij tijdens zijn vorige bezoek over het hoofd had gezien. Hij kon zichzelf wel slaan voor die onachtzaamheid. &lt;br /&gt;‘HELP!’ hoorde hij toen. &lt;br /&gt;In één klap was het effect van de heroïne geneutraliseerd. Zijn hart bonsde wild in zijn borstkas en gedurende twee seconden wist hij niet wat te doen. Als daar een vrouw gevangen zat, moest hij ze bevrijden. Niet dan? Nog voor de situatie tot hem doordrong zat zijn hand al rond de deurknop. Zijn greep was zo stevig dat zijn kneukels er wit van werden. Misschien was het beter om gewoon weg te gaan. Dit was tenslotte zijn probleem niet. Wie weet waar zou hij in verzeild raken als hij die deur opende. Maar hij was ondertussen ontzettend nieuwsgierig geworden naar wat hij achter die deur zou aantreffen.&lt;br /&gt;Ondanks de twijfel schoof Chase de verschillende grendels opzij. Hij draaide de deurknop om en merkte dat hij stond te trillen op zijn benen. Het geschreeuw hield op. Buiten was het gestopt met regenen en het was nu zo stil dat hij zijn eigen ademhaling kon horen. Wat was hier in godsnaam aan de hand? Het eerste wat hij gewaarwerd toen hij de deur tot  een kier opende, was een indringende stank. De stank van verschaalde stront. En er was nog iets, maar die geur herkende hij niet meteen. Een mengeling van zuur zweet en oud stof misschien. In een reflex duwde hij de deur weer dicht. Hij draaide zich om en wilde zich uit de voeten maken, doen alsof er niets aan de hand was, want opeens was hij bang geworden.&lt;br /&gt;‘HELP!’ klonk het opnieuw.&lt;br /&gt;‘Verdorie,’ hoorde Chase zichzelf mompelen. &lt;br /&gt;Als daar een vrouw gevangen zat, kon hij haar toch niet aan haar lot overlaten? Hij stond voor een dilemma: haar bevrijden en het risico lopen dat de politie achteraf lastige vragen zou gaan stellen over waarom hij hier geweest was of zich met zijn eigen zaken bemoeien en vluchten met de drugs. &lt;br /&gt;Toen hij haar een zoveelste keer hoorde schreeuwen, opende hij toch de deur. Haar hulpeloze stem kroop langs de trap omhoog, net zoals de stank die Chase trachtte te verdringen door zijn neus toe te knijpen. Hij staarde in de duisternis en zag dat de onderste treden vaag verlicht waren. &lt;br /&gt;‘Hallo?’ vroeg hij, onzeker over wat hij kon verwachten. &lt;br /&gt;‘Haal me hier uit, alsjeblieft!’ zei de vrouw. De rauwheid van haar stem bezorgde Chase kippenvel.&lt;br /&gt;‘Ik kom,’ stamelde hij. Voorzichtig zette hij een voet op de eerste trede. Hij schrok van het gekraak. Met elke stap die hij zette, begon zijn hart sneller te slaan. Krampachtig probeerde hij zich een voorstelling te maken van wat hij daar beneden in die stinkende kelder zou ontdekken, maar het bloed dat door zijn hoofd gonsde belette hem helder te denken. Langzaam daalde hij af. Op de voorlaatste trede struikelde hij bijna over het snoer van een spijkerpistool dat in een stopcontact rechts in de muur zat. Onachtzaam duwde hij het met zijn voet opzij en liep verder. Hij stond nu onderaan de trap en hij kon zijn eigen handen in het vage licht zien. Ze trilden.&lt;br /&gt;‘Ik ben hier,’ huilde ze. Ze klonk blij en opgewonden. Aan de nagalm van haar stem te horen bevond ze zich in een kamer achter de trap.&lt;br /&gt;Alvorens Chase de kamer betrad, flitste het beeld van een aan de muur vastgeketende vrouw door zijn hoofd. Hij huiverde. Met ingehouden adem liep hij het licht en de stank tegemoet en al snel ontdekte hij dat zijn verbeelding verbleekte bij wat hij daar aantrof.&lt;br /&gt;Achter de trap was een kleine ruimte, verlicht met een gloeipeertje dat aan een stoffig, met spinnenrag bekleed plafond bengelde. De bakstenen muren waren beschilderd met verf die op sommige plaatsen afbladderde. Aan een van de muren hing een opgerold touw. In het midden van de kamer stond een langwerpige metalen tafel, erachter een werkbank met tal van verroeste werktuigen die netjes aan haakjes hingen. Tangen in allerlei maten en vormen, hamers, zagen, schroevendraaiers en ander gereedschap waar Chase niet eens de naam van kende. Ook nog enkele elektrische toestellen waarvan hij bijna zeker was dat ze het niet meer deden. Zijn ogen puilden uit hun kassen en hij zette geschokt een stap achteruit.&lt;br /&gt;‘Haal me hieruit, alsjeblieft. Ik smeek je.’&lt;br /&gt;Haar broze stem kwam uit een schaduwrijk hoekje achterin de kamer. Chase keek in de richting van het geluid en voelde een nieuwe schok door zijn lichaam zinderen. Twee hulpeloze ogen staarden hem aan. Op dat moment wist Chase dat die blik nog jarenlang het onderwerp van zijn nachtmerries zou zijn. Hij naderde enkele passen en keek naar de vrouw die eigenlijk nog maar een meisje was. Op haar moegetergde gezicht viel blijdschap af te lezen, euforie zelfs. Hij schatte haar hooguit zeventien. &lt;br /&gt;Rond haar middel zat een gordel met een ketting waarmee ze aan de muur vastgeketend was. De ketting reikte niet verder dan een halve meter zodat haar levensruimte enkel bestond uit een vies matras vol bruine kringen die waarschijnlijk afkomstig waren van haar eigen urine, uitwerpselen en iets wat op opgedroogd bloed leek. Aan haar linkerwang kleefde een stuk plakband dat voor de helft losgekomen was.&lt;br /&gt;‘Hoe laat is het?’ vroeg het meisje terwijl ze naar een vlieg sloeg die over een wond op haar scheen kroop.&lt;br /&gt;Chase keek op zijn uurwerk. ‘Bijna tien uur.’&lt;br /&gt;‘’s ochtends of ’s avonds?’&lt;br /&gt;‘’s avonds, waarom?’&lt;br /&gt;Hij komt alleen ’s nachts, dus je hebt nog even tijd om me los te maken.&lt;br /&gt;‘Wie is &lt;span style="font-style:italic;"&gt;hij&lt;/span&gt;?’ wilde Chase weten. &lt;br /&gt;‘Een monster.’&lt;br /&gt;Chase kon amper de situatie bevatten waarin hij verzeild was geraakt. &lt;br /&gt;‘Hoelang zit je hier al?’ &lt;br /&gt;‘Enkele weken denk ik,’ antwoordde ze. ‘Ik weet het niet precies meer. Ik had autopech, nog geen vijf kilometer hier vandaan. Hij was de eerste die stopte om me te helpen. Sindsdien zit ik hier. Ga je me nog losmaken?’&lt;br /&gt;Chase stond verdwaasd toe te kijken, alsof het allemaal niet tot hem doordrong. Het meisje droeg enkel een slipje en een strak T-shirt dat haar appelvormige borsten perfect accentueerde. Haar fijne tepeltjes prikten tegen de stof. Hier en daar zaten opgedroogde bloedvlekken op het T-shirt. Ze zag eruit alsof ze mishandeld was. Desondanks kon Chase het niet laten om naar het meisje te staren. Tenslotte had hij door zijn celstraf al meer dan twee jaar geen vrouw gezien, laat staan aangeraakt, en de aanblik van twee volmaakte borsten en een koppel naakte dijen liet hem niet onberoerd. &lt;br /&gt;‘Hij draagt de sleutels altijd bij zich, dus je zult het gereedschap moeten gebruiken.’ Ze wees naar de werkbank. Met de rug van haar hand wreef ze tranen uit haar ogen.&lt;br /&gt;Chase kon niet zien of het tranen van blijdschap of van ellende waren, maar hij meende wel een glimlach op haar gezicht te herkennen. Hij lachte terug en liep naar de werkbank zonder iets te zeggen. Daar nam hij een van de elektrische toestellen: een slijpschijf. Echter, hij legde ze al snel weer opzij toen bleek dat het snoer nog niet half zo lang was als de afstand tussen het meisje en het dichtstbijzijnde stopcontact.&lt;br /&gt;‘Verdorie,’ mompelde hij. &lt;br /&gt;Ook de andere toestellen waren geen optie om dezelfde reden. Vervolgens nam Chase de grootste zaag die hij kon vinden.  &lt;br /&gt;‘Zo bot als een knikker,’ zei hij tegen het meisje terwijl hij zijn duim tegen een van de tanden drukte.&lt;br /&gt;‘En de tangen? Kan je de ketting niet doorknippen in plaats van zagen?’ &lt;br /&gt;Chase legde de zaag opzij en nam een kniptang van een haak. In tegenstelling tot de andere verroeste werktuigen zag ze er nog vrij nieuw uit, maar ze was net als de andere veel te klein om zo’n dikke ketting mee door te knippen. &lt;br /&gt;‘Dan toch maar de zaag,’ besloot hij, en hij liep naar het meisje waar hij de verroeste tanden tegen de ketting zette. &lt;br /&gt;Met alle macht die hij in zijn rechterarm bezat liet Chase het blad op en neer glijden, maar hoe hard hij ook zijn best deed, hij kwam geen millimeter verder. Toen er geleidelijk krampen in zijn arm schoten, hield hij hijgend op. Een zweetdruppel liep over zijn neus en viel op het matras. Vervolgens liep hij terug naar de werkbank waar hij een fijne schroevendraaier en de grootste hamer nam. Opnieuw deed hij enkele verwoede pogingen om het meisje te bevrijden. Hij hamerde als een bezetene op de metalen schakels en probeerde het slot open te breken met de schroevendraaier.&lt;br /&gt;Ondertussen rukte het meisje zo hard als ze kon aan de ketting opdat de hechting uit de muur zou loskomen, maar afgezien van wat afbrokkelend steengruis kwam er geen beweging in. Even later liet Chase het gereedschap op de stenen vloer vallen en keek verontschuldigend naar het meisje wiens ogen een wanhopige glans aannamen.&lt;br /&gt;‘Ik kom er niet doorheen,’ zuchtte hij. &lt;br /&gt;‘Je moet,’ zei het meisje. ‘Je mag me hier niet achterlaten.’&lt;br /&gt;Er rolde een traan over haar wang. Chase veegde hem weg en keek haar aan. Toen liet hij zijn blik over de rest van haar lichaam glijden; haar warrige haren, haar hals, haar borsten en haar dijen. Het meisje was slank, maar beslist niet ondervoed. Blijkbaar gaf dat monster haar voldoende te eten.&lt;br /&gt;‘Je begrijpt me niet,’ fluisterde Chase terwijl hij een blonde haarlok uit haar gezicht streek en zijn hand op haar schouder legde. ‘Ik kom er niet doorheen.’ &lt;br /&gt;Hij aaide haar arm en kantelde zijn hoofd om haar nogmaals van onder tot boven te bekijken. Ondanks het laagje vuil en de stank vond Chase haar tot zijn eigen frustratie erg aantrekkelijk. Zonder dat hij het besefte likte hij zijn lippen en slikte. Door zijn geest flitste een wilde fantasie. Wat wilde hij graag met haar vrijen. Hier en nu. Hij had er immers de kans toe, hij kon met haar doen wat hij wilde. Zoiets kan je toch niet maken? zei het andere stemmetje in zijn hoofd. Ze kon zijn dochter wel zijn! Langs de andere kant, er was niemand die het zag, niemand die het ooit te weten zou komen. &lt;br /&gt;‘Maar… je moet!’ Het meisje begon nu te snikken. ‘Ga dan naar de politie, zeg dat ze me moeten losmaken voordat dat monster terugkomt. Ik wil hier niet langer blijven. Ik kan niet meer. Ik…’  Ze drukte haar gezicht tegen Chase’ borstkas en kromp snotterend in elkaar. &lt;br /&gt;Chase merkte dat haar T-shirt daarbij langs haar rug omhoog kroop en een stel bloederige striemen, opgedroogde korsten en een etterende wond ter hoogte van haar staartbeentje ontblootte. Even deinsde hij terug. Het leek wel alsof dat monster haar rug als doek had gebruikt om er met zijn mes een abstract kunstwerk in te kerven.  &lt;br /&gt;‘Ssst,’ suste Chase, ‘alles komt goed… hoe heet je eigenlijk?’&lt;br /&gt;‘Melissa.’&lt;br /&gt;‘Melissa, ik ben Chase. Alles komt goed, vertrouw me nu maar.’ &lt;br /&gt;Hij wist dat de toon in zijn stem niet overeen kwam met wat hij zei, maar kon het niet helpen. Melissa keek hem wantrouwig aan, alsof ze voelde dat er iets mis was.&lt;br /&gt;‘Wat ben je van plan?’ vroeg ze tussen het snikken door.&lt;br /&gt;Chase legde zijn hand op een van haar borsten en kneep er in. Eigenlijk wilde hij dit niet doen, maar zijn driften schakelden zijn geweten uit en namen zijn lichaam over. Hij had dit gedrag vaak genoeg gezien in de gevangenis. De drang naar seks was iets vreemds. Het was slechts een kwestie van tijd voor zelfs de zwaarste gedetineerden zich aan hun celgenoten vergrepen om een pijpbeurt te krijgen. En ook al walgde Chase van zichzelf, hij kon niet verhinderen dat hij deed wat hij deed. &lt;br /&gt;Eerst leek Melissa niet eens te begrijpen wat er aan de hand was, maar toen haar vochtige ogen de bobbel in zijn broek opmerkten, zag hij alle hoop van haar gezicht glijden. Daarna volgde woede en begon ze te gillen.&lt;br /&gt;‘Smeerlap! Maak me los! Laat me hier uit!’ Ze rukte zo hard aan de ketting dat er een barst kwam in een van de stenen rond de hechting. &lt;br /&gt;‘Sorry,’ zei Chase, terwijl hij zijn broek losknoopte. Hij durfde niet naar haar te kijken uit schaamte, maar tegelijkertijd was hij niet in staat om de drang naar haar lichaam te weerstaan. Twee jaar achter de tralies hadden van hem een klootzak gemaakt. Nu had hij de kans om dat meisje uit haar lijden te verlossen, maar in plaats daarvan zag hij dit als een gelegenheid om zijn seksuele lusten op haar bot te vieren. ‘Sorry,’ verontschuldigde hij zich nogmaals, en op dat moment haalde Melissa uit naar hem. Vrijwel onmiddellijk voelde hij een brandend gevoel op de plaats waar haar nagels zijn wang hadden opengereten. &lt;br /&gt;Dat had je niet moeten doen, Melissa!’&lt;br /&gt;De plotse pijn maakte iets los in Chase. Het maakte hem zo kwaad dat hij haar een vuistslag gaf en haar slipje met één beweging van haar middel scheurde. Melissa viel met haar gezicht op het matras, in haar eigen vuil, en bleef liggen. Meteen daarna had Chase spijt. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Waar ben ik in hemelsnaam mee bezig? &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;‘Sorry,’ zei hij weer.&lt;br /&gt; ‘Doe wat je wil, maar maak me daarna alsjeblieft los. Ik smeek je.’ Melissa snikte bijna onhoorbaar. Ze klonk opeens vijf jaar jonger. &lt;br /&gt;Chase wist dat hij op dit moment geen haar beter was dan het monster dat haar hier gevangen hield, maar zijn lichaam bevond zich in een roes. Misschien was het de heroïne, of misschien had de gevangenis van hem ook een monster gemaakt. Hoe dan ook maakte de aanblik van de naakte Melissa hem geil, ondanks haar gehavende rug en het opgedroogde bloed op haar T-shirt, ondanks de stank van haar uitwerpselen waaraan hij inmiddels gewend was geraakt. Hij bracht zijn lid bij haar kruis, spuugde in zijn hand en maakte haar nat. Daarna drong hij bij haar naar binnen. Ondertussen hield hij Melissa’s polsen in de klem, ook al stribbelde ze niet langer tegen.  &lt;br /&gt;Ongeveer tien minuten later was Chase nog steeds niet klaargekomen. Hij bleef maar op en neer gaan op het broze lichaam van Melissa die eens gilde van pijn, dan weer huilde van machteloosheid. Zijn geweten bleef ondanks de drang aan hem knagen en dat maakte hem zo woedend dat hij harder begon te stoten. Melissa’s gegil weergalmde tussen de muren van de kelder. &lt;br /&gt;‘Zwijg, trut. En beweeg wat meer,’ beval Chase haar. ‘Als ik met een lijk wilde neuken was ik wel naar het kerkhof gegaan.’ &lt;br /&gt;Melissa deed haar best om te gehoorzamen, maar het baatte niet. Chase kwam maar niet tot zijn hoogtepunt en uiteindelijk gaf hij het vloekend op. Hij stond op, ritste zijn broek dicht en begaf zich naar de trap.&lt;br /&gt;‘Waar ga je naartoe?’ vroeg Melissa. ‘Alsjeblieft, laat me niet in de steek. Mijn vader heeft geld. Hij heeft een bedrijf en  – .’&lt;br /&gt;‘Ik heb geprobeerd om je los te maken en dat is me niet gelukt.’&lt;br /&gt;‘Waarschuw dan tenminste de politie. Je gaat me hier toch niet laten rotten?’&lt;br /&gt;Ondanks het feit dat Chase ontzettend veel medelijden met haar had om wat hij haar zonet had aangedaan en om wat haar nog te wachten stond als zij hier weer een nacht moest doorbrengen, kon hij zichzelf er niet toe dwingen haar te bevrijden. Hij dacht opeens terug aan de gevangenis en verstijfde bij de gedachte dat hij daar opnieuw iemands hoer zou zijn. Dat mocht absoluut niet gebeuren.&lt;br /&gt;‘Als ik de politie verwittig, ga jij ze vertellen wat ik gedaan heb. Denk je dat ik dom ben misschien?’ &lt;br /&gt;‘Ik zweer het je, ik zal hen niets verklappen.’&lt;br /&gt;‘Waarom zou ik je geloven?’&lt;br /&gt;‘Omdat ik er alles voor over heb om hier geen nacht langer te moeten blijven.’&lt;br /&gt;Zenuwachtig ijsberend schudde Chase met zijn hoofd. &lt;br /&gt;‘Een anoniem telefoontje dan. Als-je-blieft, ik smeek je.’&lt;br /&gt;Chase schudde nogmaals met zijn hoofd, wendde zijn blik van haar af en zette een voet op de onderste trede.&lt;br /&gt;‘Klootzak! Lafaard! Ik hoop dat je rot in de hel!’&lt;br /&gt;Chase sloot zich af voor Melissa’s geschreeuw en beklom de steile keldertrap. De weg naar boven leek eindeloos. De voorbije minuten denderden door zijn hoofd als een snel doorgespoelde film. Halverwege begon hij zelfs even te duizelen en overwoog hij om Melissa alsnog te bevrijden, maar na wat hij haar had aangedaan wilde hij geen enkel risico lopen om opnieuw met de politie in aanraking te komen. Toen hij eindelijk boven was en merkte dat de deur vanzelf openzwaaide, versteenden alle spieren in zijn tachtig kilogram zware lichaam. In het deurgat stond een reusachtige gedaante. &lt;br /&gt;Het monster! &lt;br /&gt;Hij stond vlak voor zijn neus en nog voor Chase een glimp van zijn gezicht kon opvangen, belandde er een stomp voorwerp tegen zijn slaap. In minder dan een seconde werd alles zwart voor zijn ogen. Het laatste wat hij voelde was dat hij zijn evenwicht verloor en achterover viel. In een flits dacht hij er nog aan om tijdens zijn val naar het spijkerpistool te graaien, maar die reflex verdronk in de grote, zwarte, pijnlijke leegte waarin hij prompt belandde.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toen Chase wakker werd leek het alsof zijn zintuigen enkel een stekende hoofdpijn en de misselijkmakende geur van uitwerpselen registreerden. De drugs waren duidelijk uitgewerkt. Zijn maag keerde om en hij voelde een schreeuw in zijn keel opkomen, maar het plakband op zijn mond hield zijn stem gevangen. Na enkele seconden was zijn zicht niet langer wazig en slaagde hij erin de omgeving in zich op te nemen. Het duurde even voor het tot hem doordrong: het gloeipeertje, de afgebladderde muren, de werkbank, … &lt;br /&gt;Het opgerolde touw aan de muur ontbrak, daarmee was hij aan de metalen tafel gebonden. Zijn lichaam was strak vastgemaakt, vanaf zijn enkels tot aan zijn borstkas. Alleen zijn hoofd had enige bewegingsvrijheid. Zijn voeten voelden koud aan en hij wist dat ze ontdaan waren van sokken en schoenen. &lt;br /&gt;In een reflex spande hij zijn spieren op en probeerde zich los te rukken. Het touw gaf geen krimp. Hij zat flink in de stront en heel even verlangde hij naar de kale cel waarin hij twee jaar had vastgezeten. Angstvallig keek hij opzij, naar het meisje dat als een verfrommelde papierprop op het matras zat en hem onverschillig aankeek. Ze zag eruit zoals hij zich voelde: uitgeput en wanhopig. Haar lippen zaten verborgen achter een nieuw stuk plakband, maar ze leek te willen zeggen ‘het is jouw verdiende loon, klootzak’. Ze had gelijk en het speet Chase verschrikkelijk dat hij haar gevonden had. Als ze niet om hulp had geroepen, was dit nooit gebeurd.&lt;br /&gt;Terwijl hij een nieuwe poging ondernam om zich los te wrikken, viel er een donkere schaduw over zijn gezicht. Geschrokken draaide hij zijn hoofd en keek recht in de glanzende ogen van het monster dat hem in dit stinkend hol gevangen hield. Alleen zijn ogen waren zichtbaar, de rest van zijn gezicht was gehuld in een lederen kap. Chase hoorde hem hijgen, als een ouwe vetzak die buiten adem was na een vrijpartij. Zijn dikke buik, die bedekt was met een besmeurd T-shirt dat zo hard spande dat het zijn vet in bandjes samenhield, ging op en neer. Zo te zien woog hij minstens honderdtwintig kilo.&lt;br /&gt;Chase wilde opnieuw schreeuwen, maar meer dan een gedempt geluid kwam er niet uit. De scheldwoorden die hij probeerde te vormen klonken als ‘mmww mmww mmww’. &lt;br /&gt;Blijkbaar had het monster zijn wanhoopspoging opgemerkt, want met een ijzige kalmte legde hij zijn wijsvinger op zijn afgedekte mond en siste. &lt;br /&gt;Chase keek naar de donkere ogen die weinig goeds voorspelden, vervolgens naar al het gereedschap aan de haken en besloot dat het beter was om het bevel op te volgen. Hij had bij Melissa gezien tot wat hij in staat was en wilde absoluut vermijden dat hem hetzelfde zou overkomen. Maar al zijn hoop vervaagde toen hij zag dat de kolos in zijn andere hand een camera op een statief hield. Opeens besefte Chase dat hij weldra het hoofdpersonage zou worden in een martelfilmpje dat tot de privé filmcollectie van een gestoorde maniak zou gaan behoren. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Wie doet zoiets?&lt;/span&gt; vroeg hij zich af. Wie weet hoeveel filmpjes had die vent zo al gedraaid? Chase wist wel dat zulke psychopaten bestonden, maar hij had nooit gedacht dat hij op een dag aan zo’n gek ten prooi zou vallen. Zelfs niet in zijn ergste nachtmerries. Nu zag hij hoe de man met een hand aan de instellingen van de camera prutste terwijl hij met zijn andere hand op zijn hoofd trommelde. Chase wilde dat hij daarmee ophield. Het maakte hem nerveus. Het enige wat hij op dat moment nog kon denken was dat hij hier levend uit wilde, en het liefst met al zijn ledematen. &lt;br /&gt;Als het aan dat gemaskerde monster lag was dat ijdele hoop, want zonder iets te zeggen waggelde de reus naar de werkbank waar hij even stil bleef staan, zijn hoofd van links naar rechts liet gaan en uiteindelijk vastberaden een zaag van de haak nam. Dezelfde zaag als waarmee Chase Melissa had proberen te bevrijden. Vervolgens kwam hij terug naar Chase en zette de camera aan. De glans in zijn ogen nam toe – alsof hij genoot van de macht die hij had, alsof hij opgewonden geraakte bij het vooruitzicht een weerloze man te martelen – en Chase dacht dat de duivel zelf achter dat masker schuilging. &lt;br /&gt;Vanaf dan ging het allemaal ontzettend snel. Het leek zo onwezenlijk. Een uur geleden snoof hij nog heroïne met op de achtergrond een vergeten vakantieparadijs en nu voelde hij hoe de verroeste tanden van het zaagblad in het vlees onder de elleboog van zijn rechterarm zonken. Chase keek angstig naar het rode lampje van de camera. Het feit dat de man ondertussen geen woord zei, dat hij waarschijnlijk in stilte genoot, maakte hem ontzettend bang. Als zijn lichaam niet verlamd geweest was van angst, zou hij een ultieme poging gewaagd hebben om zichzelf uit zijn benarde positie te bevrijden. Maar in plaats daarvan ontspanden zijn spieren en voelde hij hoe warme urine zich een weg zocht langs zijn ballen. Nu begreep hij perfect hoe Melissa zich in dit smerig hol moest voelen. Meteen daarna volgde een pijn zoals hij nog nooit had ervaren. &lt;br /&gt;Het monster hanteerde de zaag met de behendigheid van een kok die een vis fileerde. Chase brulde het uit. Zijn geschreeuw ontsnapte via zijn neusgaten. Zijn stem klonk nasaal en hol. Onecht. Met één oog gluurde hij langs een haarsliert die op zijn gezicht kleefde en zag hoe donkerrood bloed uit de verse wonde sijpelde en op de grond plensde. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Splash!&lt;/span&gt; Het leek net een kop koffie die omviel. Nog geen halve minuut later zag hij een reep van zijn eigen vlees tussen de duim en wijsvinger van de gemaskerde man bengelen. Hij hield het treiterend voor zich uit. &lt;br /&gt;Chase wist dat achter die lederen kap een grijns schuilging, hij voelde het gewoon. Die gedachte vervulde hem met weerzin en hij draaide zijn hoofd de andere kant op. Daar zat Melissa. Chase keek haar hulpeloos aan, zocht erkenning in haar ogen, maar ze wendde meteen haar blik van hem af. Hij stond er alleen voor. Helemaal alleen.&lt;br /&gt;Er welden tranen van onmacht op in Chase’ ogen. Er was niemand die hem hier zou komen helpen. Diep vanbinnen besefte hij dat het slechts een kwestie van minuten of uren was voor hij zou sterven. Of als hij pech had zelfs dagen, want misschien was dat beest wel van plan om hem zo lang mogelijk in leven te houden, opdat hij elke nacht opnieuw kon langskomen om hem te folteren en te filmen, zoals hij waarschijnlijk ook met Melissa deed. Arme Melissa. Chase sloot zijn ogen en bad dat hij zo snel mogelijk zou sterven.  &lt;br /&gt;Toen hij een helse pijn bij de grote teen van zijn linkervoet gewaarwerd, sprongen zijn ogen weer open. Die klootzak had de zaag voor een tang omgewisseld en de nagel van zijn teen omgeplooid. Opnieuw hoorde Chase zijn eigen nasale gegil door de kamer galmen. Het was net alsof een vreemde het geluid produceerde, maar de pijn aan zijn voet was niet vreemd, die was levensecht. Vrijwel onmiddellijk volgde een tweede nagel, en een derde. Toen de beul het op een vierde gemunt had, was Chase zo verdoofd door de pijn in zijn arm en voet, dat hij het nog amper voelde. &lt;br /&gt;Heel even dacht Chase dat hij immuun was geworden voor de pijn die samen met een golf adrenaline door zijn lichaam zinderde en hij wilde lachen, de beul uitdagen om zijn andere voet ook aan te pakken, maar precies op dat moment zag hij een klauwhamer alsmaar groter worden om een fractie van een seconde later op zijn voorste tanden te landen. Hij hoorde ze breken in zijn mond en kon niet vermijden dat hij ze inslikte, samen met zilt smakend bloed dat van zijn tandvlees in zijn keel stroomde. Daarna kantelde zijn hoofd ongewild opzij. Voor een tweede keer die avond werd alles zwart voor zijn ogen. Het laatste wat hij zag waren Melissa’s naakte dijen en de bebloede zaag die aan de haak bij de werkbank hing.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Chase ontwaakte uit wat de diepste slaap in zijn leven leek en wenste dat hij nooit wakker was geworden, want de pijn in zijn hoofd en de rest van zijn lichaam was werkelijk ondraaglijk. Meteen daarna kwam de herinnering aan de folteringen. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Ben ik nog steeds niet dood?&lt;/span&gt; vroeg hij zich af. Rechts van hem hoorde hij voetstappen, twee lichte voeten die over de stenen vloer schuifelden. Het waren niet de logge passen van de beul die hem had toegetakeld. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Melissa?&lt;/span&gt; Voorzichtig opende Chase zijn ogen en keek in de richting van het geluid. Daar stond ze, bibberend op haar benen en besmeurd met bloed. De uitdrukking op haar gezicht was er een van ongeloof, waarschijnlijk omdat ze nooit gedacht had zichzelf te kunnen bevrijden en daar nu kennelijk toch in geslaagd was. &lt;br /&gt; Chase vroeg zich af hoe dat kon. Heel even dacht hij dat hij droomde, maar de smaak van bloed in zijn mond was genoeg om hem van het tegendeel te vergewissen. Hij keek naar Melissa. De ketting hing los rond haar middel en in de muur achter het matras zat een gat. Toen zag hij de beul. Hij lag op de grond, zonder masker en Chase vond dat hij er zo gewoon uitzag dat het wel zijn vader had kunnen zijn. Zijn ogen waren dicht, maar zijn dikke pens ging zachtjes op en neer wat betekende dat hij nog ademde. Zijn hoofd lag in een plas bloed die afkomstig was van een wond bij zijn slaap. Ernaast lag de klauwhamer die Chase eerder geveld had. &lt;br /&gt; Chase zocht oogcontact met Melissa. Zijn leven hing nu af van het meisje dat hij enkele uren geleden had verkracht en hij besefte dat hij weinig kans maakte. Met zijn mond nog steeds bedekt probeerde hij haar te smeken om hem los te maken. Hij barstte in tranen uit en zijn neus vulde zich met snot zodat hij nog amper lucht kreeg. Hij vreesde dat hij zou stikken als er niet snel iets gebeurde.&lt;br /&gt; ‘Ironisch, hè!?’ snauwde Melissa. Ze keek hem verbitterd aan en rukte met één beweging het plakband van zijn mond.&lt;br /&gt;‘Alsjeblieft, het spijt me zo,’ stotterde Chase. &lt;br /&gt;‘Ach, zwijg toch, zielig mannetje. Aan je verontschuldigingen heb ik niets. Je bent geen haar beter dan die klootzak, weet je dat?’ Terwijl ze dat zei trapte ze in de dikke pens van de beul die naast haar op de grond lag.&lt;br /&gt;‘Laat me niet met hem achter. Ik wil nog niet sterven. Ik heb een dochtertje.’&lt;br /&gt;Dat laatste was slechts gedeeltelijk waar. Hij had inderdaad een kind verwekt bij een van zijn vele scharrels lang voor hij de nor in moest, maar toen hij het nieuws vernomen had was hij ervandoor gegaan.&lt;br /&gt;‘Daar had je dan maar eerder aan moeten denken.’&lt;br /&gt;‘Je hebt gelijk, het spijt me. Als ik de tijd kon terugdraaien, zou ik dat doen. Maar dat kan ik niet. En nu heb ik je nodig, begrijp je dat?’&lt;br /&gt;Door de stilte die volgde realiseerde Chase zich voor het eerst sinds hij ontwaakt was de toegetakelde toestand van zijn lichaam. Ter hoogte van zijn knie had zich een kloppende pijn geconcentreerd, een pijn die de andere overheerste. Wie weet wat had die beul nog allemaal met hem aangericht terwijl hij buiten bewustzijn was? Kreunend rechtte Chase zijn hoofd en keek naar zijn knie om tot de schokkende vaststelling te komen dat zijn onderbeen geamputeerd was. Het lag aan het uiteinde van de tafel op de grond, in een plas gestold bloed die een deel van de kelder weerkaatste tot een grimmige fata morgana. &lt;br /&gt;‘GODVERDO-!’ Chase wilde het uitschreeuwen van afschuw, maar voelde zich opeens zo misselijk dat hij dacht opnieuw het bewustzijn te gaan verliezen. &lt;br /&gt;‘Net goed,’ zei Melissa. Haar lippen krulden tot een smalend lachje. Daarna draaide ze zich om en liep in de richting van de trap.&lt;br /&gt;‘Nee, wacht,’ probeerde Chase nog een keer. ‘Als je me niet losmaakt zal ik doodbloeden. Je wil toch geen dode op je geweten hebben?’&lt;br /&gt;Zijn wanhoopspoging bleek te werken, want Melissa draaide zich weer om en keek strak aan. Haar ogen leken twee donderwolken.&lt;br /&gt;‘Hoe durf je,’ gromde ze. ‘Hoe durft uitgerekend iemand als jij het woord “geweten” in de mond te nemen!?’ Haar stem sloeg over.&lt;br /&gt;‘Zo bedoelde ik het niet.’&lt;br /&gt;‘Oh nee, hoe dan wel?’&lt;br /&gt;‘Ik wil nog niet sterven,’ snikte hij. ‘Ben ik nog niet genoeg gestraft misschien? Alsjeblieft, maak me los en haal me hieruit.’ Chase proefde het zout van de tranen die over zijn wangen stroomden. Hij voelde zich ontzettend nietig op dit ogenblik, maar hij zwoer bij de god die hij zo vaak had veracht dat hij zijn leven zou beteren als hij ooit uit dit smerig hol wegkwam. ‘Als-je-blieft,’ smeekte hij nog één keer, maar Melissa draaide zich om en zonder iets te zeggen liep ze de trap op. &lt;br /&gt;Chase luisterde naar haar uitstervende voetstappen, slikte de krop in zijn keel weg en begon heftig te spartelen in een poging zichzelf uit de touwen los te maken. Bij elke beweging die hij maakte nam de kloppende pijn in zijn stompje toe, maar hij gaf niet op. Na enkele pogingen rustte hij even uit om het daarna met nieuwe energie opnieuw te proberen. Hij was vastberaden om hier levend uit te komen. Echter, op het moment dat hij het touw rond zijn armen langzaamaan voelde loskomen, torende er een donkere schaduw boven hem uit. Het monster was wakker geworden en Chase had hem niet eens gehoord.&lt;br /&gt;De oude man stond vlak naast hem. Hij veegde een straaltje bloed van zijn gezicht, keek van links naar rechts en Chase zag hoe heel de situatie tot de man doordrong. Zoals hij daar stond, met een gapende wond bij zijn slaap, vol onbegrip en ongeloof over wat hem zojuist was overkomen, zou Chase bijna medelijden met hem krijgen. Maar het monster herpakte zich snel en liep naar de werkbank waar hij een koevoet van de haak greep. Nog altijd had hij geen woord gezegd. Om een of andere bizarre reden was Chase benieuwd hoe zijn stem zou klinken. Waarschijnlijk als die van een doodnormale, goede huisvader, dacht hij. &lt;br /&gt;‘Vermoord me niet, ik smeek je,’ huilde Chase, ‘ik heb een dochtertje,’ maar hij wist al gauw dat hij niet op begrip moest rekenen. Nu de man de controle kwijt was, was hij schijnbaar in paniek en aan de blik in zijn ogen te zien wilde hij zo snel mogelijk een einde maken aan deze benarde situatie. Geen folteringen meer. Gewoon één klap op Chase’ hoofd en dood. Een tijdje geleden zou Chase hem daarvoor nog dankbaar geweest zijn, maar toen hij daarnet heel even van de vrijheid had geproefd, ook al was die op dat ogenblik slechts een ongrijpbare illusie, wilde hij niet meer sterven. &lt;br /&gt;Chase sloot zijn ogen, perste een oorverdovende oerkreet uit zijn stembanden en bereidde zich mentaal voor op de fatale klap, in de hoop dat het monster zich op het allerlaatste moment nog zou bedenken. In zijn hoofd telde hij af. Eén seconde werd twee, twee werden er drie en bij de vierde tel hoorde hij een reeks scherpe knallen die zijn oren deden suizen. Tak, tak tak. &lt;br /&gt;Geschrokken opende hij zijn ogen en zag de beul van links naar rechts wankelen. In een hopeloze poging om zichzelf staande te houden viel hij achterover tegen de werkbank, een deel van de werktuigen in zijn val meetrekkend. Hij belandde op de vloer waar hij in foetushouding bleef liggen. Daarna bewoog hij niet meer. De man had een stuk of tien gaten in zijn kop waar bloed uit stroomde. Drie in zijn voorhoofd, twee in zijn rechteroog en de rest verspreid over zijn neus en wangen. Chase keek opzij naar Melissa die het spijkerpistool met beide handen vasthield. Ze hield haar vinger nog steeds op de trekker, maar het magazijn was leeg. &lt;br /&gt;Chase keek nogmaals naar de beul die morsdood op de grond lag, neergemaaid door een regen van verroeste spijkers, en toen weer naar Melissa. Een ervaren politieagent zou het niet beter gekund hebben. &lt;br /&gt; ‘Oh god, dankjewel,’ stotterde hij, ‘hij stond op het punt om me te vermoorden.’&lt;br /&gt;‘Dat had je verdiende loon geweest.’&lt;br /&gt;‘Nogmaals, het spijt me wat ik je heb aangedaan, Melissa. Echt waar.’&lt;br /&gt;‘Godverdomme,’ repliceerde ze, ‘kun je geloven dat ik medelijden met je begin te krijgen?’&lt;br /&gt;Terwijl ze dat zei zette ze een stap in Chase’ richting en begon de touwen los te maken. ‘Ik heb geen idee waarom ik dit doe,’ ging ze verder.&lt;br /&gt;‘Omdat je een goed mens bent.’&lt;br /&gt;‘Ach, hou toch je mond.’&lt;br /&gt;Chase gehoorzaamde en zweeg. Door de euforie die hem verdoofde, voelde hij amper nog de pijn in zijn lichaam. Hij had niet gedacht hier nog levend uit te komen en kon wel wenen van dankbaarheid, ook al zou hij voortaan door het leven moeten gaan met maar één been. Hij dacht aan alle dingen die hij zou doen als hij hersteld was van zijn letsels:  verhuizen naar het platteland zodat hij voorgoed de criminaliteit de rug kon toekeren, een Husky kopen die hij de naam Nanook zou geven en een cursus kunstschilderen volgen, want dat had hij al van kinds af gewild. Wie weet zou hij zelfs zijn biologische dochter opzoeken en haar moeder vertellen dat hij zijn leven had gebeterd.&lt;br /&gt;‘Vooruit, je kunt gaan,’ zei Melissa uiteindelijk, en zonder om te kijken liep ze de trap op om enkele seconden later in de duistere nacht te verdwijnen. &lt;br /&gt;Chase kon nauwelijks geloven dat hij vrij was. Het enige wat hem nog te doen stond was een ambulance bellen die hem naar de spoedafdeling kon brengen. Dat zou hem nog net lukken, daar was hij van overtuigd. En de drugs zou hij weer onder de plankenvloer verstoppen, want na dit alles wilde hij daar niets meer mee te maken hebben. Melissa was hij eeuwig dankbaar, maar tegelijkertijd was hij opgelucht dat hij haar na deze ellendige nacht nooit meer hoefde te zien.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-4300916836760427068?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/4300916836760427068/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/11/redder-in-nood.html#comment-form' title='1 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4300916836760427068'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4300916836760427068'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/11/redder-in-nood.html' title='Redder in nood'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>1</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-4727334609862431863</id><published>2011-10-31T15:31:00.001+01:00</published><updated>2011-10-31T15:33:02.166+01:00</updated><title type='text'>Halloween</title><content type='html'>&lt;span style="font-style:italic;"&gt;31 oktober 1978&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Het was de nacht van Halloween en de dertienjarige Lucy Feldman zat voor het raam naar de duisternis te staren. Haar ouders hadden ruzie gemaakt waardoor ze de slaap niet kon vatten. Ze observeerde de wolken die in slierten voorbij de maansikkel trokken en de dorre bladeren die in wervelstormpjes door de straat vlogen. Aan de overkant werd het laatste licht in een huis gedoofd. Op de pompoenlichtjes in de voortuinen en het maanlicht na, was het pikdonker. &lt;br /&gt;Op het moment dat ze besloot om een nieuwe poging tot slapen te ondernemen, zag Lucy in de verte een schim opdoemen in het midden van de straat. Hij strompelde haar richting uit. Was het meneer Collins die zo laat nog op was? Jeffrey Collins werkte in de staalfabriek in het naburige dorp en dronk na het werk geregeld een glas, dat wist iedereen in Clovis. Hij stond erom gekend om, als hij dronken was, met veel rumoer thuis te komen. Maar deze man maakte geen kabaal. Bovendien had hij allesbehalve het silhouet van een staalarbeider. Zijn rug was gekromd en zijn passen moeizaam. Nu hij steeds dichterbij kwam, merkte Lucy dat hij de lichaamsbouw van een oude man had. Welke oude man kwam zo laat nog buiten?&lt;br /&gt;Lucy drukte haar hoofd tegen het glas en kneep haar ogen samen. De schim bevond zich nu op zo’n tien meter van het huis van haar ouders. Zijn gezicht was steeds verborgen in de schaduw van zijn hoed waardoor ze hem niet kon herkennen. Op een van zijn schouders droeg hij iets. Eerst kon ze niet goed zien wat. Pas toen de man het huis passeerde, zag ze dat hij een donkere zak bij zich had. Aan zijn broze bewegingen te zien had hij veel moeite om het gewicht ervan te torsen. Benieuwd wat hij ermee van plan was, volgde Lucy nauwgezet zijn stappen. Ze taxeerde hem net zolang tot hij op het einde van de straat achter de omheining van het oude honkbalveld verdween. &lt;br /&gt;‘Dit moet ik aan Corey vertellen!’ was het eerste dat in haar opkwam. &lt;br /&gt;Ze bleef aan het raam gekluisterd en probeerde te zien wat hij van plan was, maar het veld was te ver weg. Het enige wat ze zag waren de gekerfde pompoenen en de schaduwen van de huizen in het maanlicht. Toch bleef ze geboeid naar buiten kijken. Aangezien ze in een doodlopende straat woonde, moest hij vroeg of laat terugkomen. Enige tijd later werd haar geduld beloond. &lt;br /&gt;De nachtwandelaar keerde terug van zijn bestemming. Zo te zien was de zak die hij daarnet op zijn schouder droeg leeg. Met een snellere tred dan daarnet liep hij van het veld weg. Lucy volgde elke stap tot hij aan het andere uiteinde van de straat versmolt met de nacht. &lt;br /&gt;Ze stelde vast dat haar hart sneller was gaan slaan. Zonder dat ze het wist had ze haar adem ingehouden. Een molen vol gedachten draaide in haar hoofd. Wat zat er in die zak? Wat had die man te zoeken op een honkbalveld waar al jaren geen honkbal meer gespeeld werd? En waarom midden in de nacht? Er was iets met de stiekeme manier waarmee hij zich door de straat begaf. Wat ze precies gezien had wist ze niet, maar Lucy had er wel een onbehaaglijk gevoel van gekregen. Ze was zelfs een beetje bang geworden, al wilde ze dat niet toegeven tegenover zichzelf. Pas toen ze helemaal zeker was dat de man verdwenen was, wendde ze haar blik af van de straat. Ze ging op bed liggen, sloot haar ogen en probeerde te slapen, maar het beeld van de schim bleef door haar hoofd spoken.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;Exact één jaar later&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;‘Eet je bord leeg, schatje,’ zei Lucy’s moeder, ‘we hebben nog een lange rit voor de boeg.’&lt;br /&gt;Lucy roerde lusteloos in de kom met week geworden ontbijtgranen. Haar hoofd stond niet naar het ontbijt. Bovendien voelde ze zich ziek. &lt;br /&gt;‘Mama, ik voel me niet zo goed, ik denk dat ik een verkoudheid heb. Mag ik niet thuisblijven?’&lt;br /&gt;‘Wil je de zee niet zien dan?’&lt;br /&gt;‘Die kan ik later elke dag nog zien.’&lt;br /&gt;Ze zette een pruillip op. Meermaals had ze hiermee succes geoogst.&lt;br /&gt;‘Het heeft geen zin om te zitten mokken.’&lt;br /&gt;‘Maar mama, ik denk zelfs dat ik koorts heb,’ zei ze, terwijl ze opzichtig haar neus snoot.&lt;br /&gt;Haar moeder ging een thermometer halen en mat haar temperatuur. Ze had inderdaad lichte koorts.&lt;br /&gt;‘Toch vind ik dat je nog te jong bent om alleen thuis te blijven.’&lt;br /&gt;‘Ik ben toch geen peuter meer!?’ zei Lucy verongelijkt.&lt;br /&gt; ‘Misschien moeten we aan de Foleys vragen of ze niet enkele uurtjes bij hen kan blijven,’ mengde Lucy’s vader zich nu in het gesprek. &lt;br /&gt;‘Schat, ben je soms vergeten wat er vijftien jaar geleden met William gebeurd is?’&lt;br /&gt;‘Natuurlijk niet, … maar het heeft geen zin om in het verleden te leven. Bovendien zijn we voor de avond terug. We moeten alleen nog onze handtekening onder de verkoopsakte zetten en dan is alles in kannen en kruiken.’&lt;br /&gt;‘Toe mama,’ smeekte Lucy hoopvol.&lt;br /&gt;De Foleys woonden schuin over de Feldmans in een wit huis met in de voortuin twee kastanjebomen. Het gezin bestond uit meneer en mevrouw Foley, hun zestienjarige zoon en een labrador. Het was zaterdagochtend, dus meneer Foley was zoals gewoonlijk gaan vissen. Mevrouw Foley deed waarschijnlijk het huishouden terwijl hun zoon met typische puberdingen bezig was. &lt;br /&gt;Lucy’s moeder tuitte aarzelend haar lippen en gaf uiteindelijk toe, al was het met tegenzin: ‘Als de Foleys geen bezwaar hebben, dan mag je bij hen blijven.’ &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Lucy wuifde haar ouders uit. Mevrouw Foley was zoals altijd verheugd om haar te zien. Ze zette de stofzuiger aan de kant en gaf haar een knuffel.&lt;br /&gt;‘Het is aan je te zien dat je ziek bent,’ zei ze bezorgd, ‘zal ik een kop hete thee met honing voor je maken?’&lt;br /&gt;‘Dat hoeft niet, ik kom net van tafel,’ zei Lucy. ‘Mevrouw Foley,’ voegde ze eraan toe, ‘is Corey thuis?’ &lt;br /&gt;‘Hij is op zijn kamer, ga maar naar hem toe als je wil.’&lt;br /&gt;Met twee treden tegelijk stormde Lucy de trappen op, naar een kamer die aan de straatkant lag. De deur was gesloten en er klonk luide rockmuziek. Ze klopte. Toen er geen antwoord kwam, opende ze de deur en ging naar binnen. &lt;br /&gt;‘Verdorie,’ schrok Corey, ‘kun je niet kloppen!?’ &lt;br /&gt;De blonde jongen moffelde een naaktblad onder zijn hoofdkussen en liep rood aan. Lucy keek onwennig naar de grond.&lt;br /&gt;‘Ik heb geklopt,’ stamelde ze, ‘maar je hebt het niet gehoord door die muziek.’&lt;br /&gt;‘Nou, klop dan in het vervolg wat harder!’&lt;br /&gt;‘Sorry.’&lt;br /&gt;‘Het is al goed.’&lt;br /&gt;Lucy was heimelijk verliefd op haar drie jaar oudere buurjongen. Sinds die keer dat ze met haar fiets gevallen was en hij haar gewonde knie verzorgd had, keek ze anders tegen hem aan. Daarvoor had ze hem maar een lawaaierige aansteller gevonden, maar eigenlijk was hij best wel lief, en mooi ook. Dat had ze vroeger nooit opgemerkt. Pas sinds haar eigen lichaam begon te veranderen en haar borstjes begonnen te groeien, kreeg ze ook meer aandacht voor jongens.&lt;br /&gt;‘Wat kom je hier trouwens doen?’ vroeg Corey, wiens wangen hun normale kleur weer hadden aangenomen.&lt;br /&gt;‘Mijn ouders zijn naar Santa Cruz om een appartement aan zee te kopen.’&lt;br /&gt;‘Cool! En jij wilde niet mee?’&lt;br /&gt;Lucy schudde met haar hoofd.&lt;br /&gt;‘Ik wil niet verhuizen. En daarbij, ik heb een verkoudheid.’&lt;br /&gt;‘Nu je het zegt, het lijkt net alsof je door je neus praat.’&lt;br /&gt;Ze lachten. Lucy ging naast Corey op bed zitten en keek gefascineerd naar zijn muziekverzameling. Zelf kreeg ze te weinig zakgeld om cassettebandjes te kopen. Ze was van plan om, wanneer ze ook zestien was, een bijbaantje te zoeken en net als Corey een hele verzameling aan te leggen. Was ze al maar zestien, dan zag hij haar tenminste staan. Nu trok hij enkel met meisjes van zijn eigen leeftijd op. Het soort meisjes dat de hele tijd met hun uiterlijk bezig was. &lt;br /&gt;‘Hoe is het met je vriendinnetje?’ vroeg ze, terwijl ze een cassettebandje van Iron Maiden uit het rek nam.&lt;br /&gt;‘Het is uit.’&lt;br /&gt;‘Alweer?’&lt;br /&gt;Corey zuchtte laconiek en vroeg: ‘En jij? Heb jij nog geen vriendje?’&lt;br /&gt;Lucy schudde verlegen haar hoofd en tuurde zonder te antwoorden door het raam naar buiten.&lt;br /&gt;‘Waar kijk je naar?’&lt;br /&gt;‘Het honkbalveld.’&lt;br /&gt;‘Wat is daar te zien dan?’&lt;br /&gt;‘Weet je nog dat ik je vorig jaar verteld heb over die man met zijn zak?’&lt;br /&gt;Corey schudde met zijn hoofd. Hij kon het zich niet meer herinneren.&lt;br /&gt;‘De nacht van Halloween. Ik kon niet slapen en was uit verveling door het raam aan het kijken. Opeens zag ik een oude man met een volle zak naar het honkbalveld gaan. Toen hij terugkwam was de zak leeg. Weet je nog?’&lt;br /&gt;Het laatste nummer van het cassettebandje was ten einde en het werd stil in de kamer, zo stil dat je een naald kon horen vallen. Corey keek Lucy fronsend aan. Hij opende zijn mond, leek iets te willen zeggen, maar slikte zijn woorden terug in. &lt;br /&gt;‘Je weet het echt niet meer, hè?’&lt;br /&gt;‘Waarschijnlijk iemand die daar illegaal afval heeft gestort,’ zei hij uiteindelijk.&lt;br /&gt;‘Denk je?’ vroeg Lucy.&lt;br /&gt;Eigenlijk was ze teleurgesteld met die logische verklaring, maar het was waarschijnlijk de juiste.&lt;br /&gt;‘Ik ben er bijna zeker van.’&lt;br /&gt;‘Dan kan het vast geen kwaad als we even een kijkje nemen.’&lt;br /&gt;‘Vast niet, maar wat hoop je daar dan te vinden? Het is immers al een jaar geleden.’&lt;br /&gt;Lucy haalde haar schouders op en keek hem smekend aan. &lt;br /&gt;‘Alsjeblieft?’ drong ze aan.&lt;br /&gt;Corey zuchtte en zei: ‘Vooruit dan maar, ik heb toch niets beters te doen.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Omdat moeder Foley haar wellicht niet zou toelaten om met een verkoudheid in de kille herfstlucht te lopen, had Lucy gewacht tot ze naar de supermarkt ging om samen met Corey het huis uit te glippen. Ze trokken de rits van hun jas tot aan hun kin en begaven zich naar het einde van de straat waar het honkbalveld lag. Sinds ze hier woonde had Lucy er nog nooit een wedstrijd zien spelen. Het was al jaren verlaten en op sommige plaatsen begon de houten omheining sporen van verval te vertonen. Ergens waar twee planken los zaten, besloot het tweetal om het terrein te betreden. Corey trok de planken achteruit waarbij het hout kraakte en de verroeste nagels miauwden als krolse katten. Lucy verwijderde een spinnenweb en wurmde zich door het gevormde gat naar binnen. Toen ook Corey even later door de omheining kroop, scheurde hij zijn jas aan een nagel die uit het hout stak.&lt;br /&gt;‘Shit, mijn nieuwe jas.’&lt;br /&gt;Hij inspecteerde de scheur die de grootte van een vuist had en vloekte nogmaals.&lt;br /&gt;‘Ik heb hem nog maar een week, moeder zal woest zijn.’&lt;br /&gt;Lucy voelde zich schuldig. Het was tenslotte door haar gezeur dat ze nu op een in mist gehuld terrein stonden waar geen levende ziel te bespeuren viel. Ze keek naar het rossige grasveld dat zich tientallen meters ver uitstrekte en waarschijnlijk nog verder, maar de mist belemmerde het zicht. Van de gebruikelijke kalklijnen op de grond was niets meer te bespeuren. Hier werd enkel nog honkbal gespeeld in vage herinneringen. Ergens waar ooit het werpvak geweest moest zijn, stond nu het geraamte van een oude vogelverschrikker. Zijn aanwezigheid slaagde er niet in om enkele krijsende kraaien af te schrikken. &lt;br /&gt;Benieuwd naar welke geheimen er in het veld verborgen lagen, zette Lucy enkele passen voorwaarts. &lt;br /&gt;‘Wacht op mij,’ riep Corey, die nog aan zijn jas stond te frutselen.&lt;br /&gt;Op het moment dat hij Lucy had bijgehaald, blies een windvlaag de mist gedeeltelijk uiteen en doemde een reusachtige boom op ter hoogte van de derde honk. Lucy en Corey staarden met wijd opengesperde ogen naar de eik met de brede stam en wortels die over de grond kronkelden als pythons. Ze keken omhoog naar de takken; het leken net kromme dolken die sierlijk door de lucht kliefden. In de ban van deze verschijning zetten Lucy en haar buurjongen enkele stappen in zijn richting, tot ze onder zijn kale kruin stonden. Daar werden ze een enorme stank gewaar. &lt;br /&gt;‘Bah, het ruikt hier naar rot vlees,’ zei Lucy, die haar neus dichtkneep ondanks het feit dat die verstopt was.&lt;br /&gt;Corey deed hetzelfde en mompelde vol ontzag: ‘Ik wist niet eens dat hier een boom stond.’ &lt;br /&gt;Lucy knikte, te verwonderd om een woord over haar lippen te krijgen. Net als Corey kon ze zich deze boom niet herinneren, ook al fietste ze regelmatig langs het honkbalveld. Ze dacht aan de bomen in haar straat die met hun herfstkleuren pronkten en vroeg zich af waarom deze boom eruit zag alsof het diep winter was. Deze eik was de belichaming van het droevige decor waarin hij geboren was. Met haar neus nog steeds dichtgeknepen aaide Lucy over de ruwe schors. Toen schoot de reden van hun bezoek haar weer te binnen: de nachtwandelaar met zijn zak.&lt;br /&gt;‘Nergens afval te zien,’ merkte ze op.&lt;br /&gt;‘Wat zeg je?’ vroeg Corey, die op een van de takken geklommen was.&lt;br /&gt;‘Dat ik nergens afval zie.’&lt;br /&gt;‘Hoe bedoel je?’&lt;br /&gt;‘Wel, die man met zijn zak waar ik je over verteld heb. Je zei dat hij hier zijn afval kwam lozen.’&lt;br /&gt;‘Nou en? Dat is toch al een jaar geleden.’&lt;br /&gt;‘Mja…’&lt;br /&gt;Corey sprong uit de boom en keek Lucy in de ogen.&lt;br /&gt;‘Jij denkt te veel na,’ siste hij.&lt;br /&gt;Ze zuchtte, maar was niet van plan om het zo snel op te geven.&lt;br /&gt;‘Kom, laten we terugkeren, voor moeder ons betrapt. Als ze te weten komt dat ik je buiten gelaten heb terwijl je ziek bent, krijg ik flink op mijn donder.’&lt;br /&gt;Met tegenzin liet Lucy zich terug naar de omheining begeleiden waar ze langs dezelfde weg als ze gekomen waren, terug naar huis gingen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;’s Namiddags was Lucy pompoenen aan het uitsnijden in de keuken toen plots de telefoon ging. Corey’s moeder nam op. Uit het gesprek kon Lucy afleiden dat haar moeder aan de andere kant van de lijn hing. Blijkbaar was ze overstuur, want mevrouw Foley probeerde haar de hele tijd gerust te stellen. Lucy deed haar best om het gesprek te volgen, maar kreeg slechts fragmenten mee. Had ze dat goed begrepen? Mocht ze de avond bij de Foleys doorbrengen? &lt;br /&gt;‘Lucy, schatje, ik heb zojuist je mama aan de lijn gehad.’&lt;br /&gt;‘Ja?’ vroeg Lucy nieuwsgierig.&lt;br /&gt;‘Ze heeft gebeld om te zeggen dat ze pas morgen thuis zullen zijn.’&lt;br /&gt;‘Oh?’&lt;br /&gt;‘Blijkbaar hebben ze autopech en moeten ze de nacht doorbrengen in Santa Cruz. Tegen morgenvroeg zou de wagen hersteld zijn, daarna zullen ze onmiddellijk vertrekken.’&lt;br /&gt;Op Lucy’s gezicht verscheen een glimlach die van oor tot oor reikte. Bij haar thuis werd Halloween nooit gevierd. Haar vader noemde het commerciële troep die door winkeliers was uitgevonden om ouders op kosten te jagen. Ze hoopte dat ze zich bij de Foleys wel zou mogen verkleden om op snoepjesjacht te gaan. Met veel enthousiasme hervatte ze haar snijwerk in de pompoen die ze van driehoekige ogen en een kwaadaardige grijns voorzag.&lt;br /&gt;Haar enthousiasme werd echter getemperd toen Corey tijdens het avondeten stoer verkondigde dat hij de hele avond griezelfilms zou kijken op zijn kamer. &lt;br /&gt;‘En daarbij, ik ben veel te oud geworden voor die onnozele verkleedpartijen,’ voegde hij eraan toe.&lt;br /&gt;‘Het is trouwens veel te gevaarlijk met al die kinderen die jaarlijks op de avond van Halloween verdwijnen,’ repliceerde zijn moeder bezorgd. ‘Bovendien is Lucy nog altijd een beetje ziek, nietwaar schatje?’   &lt;br /&gt;Lucy knikte beteuterd, amper in staat om haar teleurstelling te verbergen. Ze viste een gehaktballetje uit de tomatensoep en stak het in haar mond. Ook dit jaar zou ze Halloween tussen vier muren moeten vieren.&lt;br /&gt;Zoals hij had aangekondigd zat Corey die avond naar griezelfilms te kijken op zijn kamer. De anderen zaten in de woonkamer voor het televisiescherm. Vader Foley dronk een blikje bier, moeder Foley was druk aan het zappen en Lucy zat op de bank bij het raam. Ze keek naar buiten, op zoek naar verklede kinderen, maar zag niemand. De straat lag er doods bij. Blijkbaar hielden de verdwijningen het hele dorp in een angstgreep, want zelfs de zonen van Jeffrey Collins die heel het jaar door op straat rondhingen, waren nergens te zien. Diep vanbinnen wist Lucy dat de man die ze vorig jaar zo stiekem naar het honkbalveld had zien gaan, er iets mee te maken had. Ze nam zich voor om straks in de logeerkamer de wacht te houden bij het raam, want ze had een voorgevoel dat hij zou terugkomen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vele uren later stond Lucy nog altijd op uitkijk in de logeerkamer. Van hieruit kon ze haar eigen kamer aan de overkant zien. Het was zo laat dat alle lichten in de huizen reeds gedoofd waren. In de meeste tuinen flakkerden pompoenlichtjes en hoog in de hemel blonk de volle maan. Ze had geen idee hoelang ze hier al stond, maar haar benen deden pijn van het lange rechtstaan. Ook haar ogen kon ze nog maar met moeite openhouden. Als ze niet snel op bed zou gaan liggen, zou ze omver vallen van vermoeidheid. Stilaan begon ze haar geloof in zijn terugkomst te verliezen. Corey had waarschijnlijk gelijk, dacht ze. Echter, net op het moment dat ze de moed wilde opgeven, werd haar geduld beloond. &lt;br /&gt;In haar ooghoek verscheen een schriele gedaante met een hoed. Haar vermoeden werd bevestigd: de nachtwandelaar was teruggekeerd! Ze voelde een siddering van opwinding in haar ingewanden. Net als vorig jaar droeg hij die grote zak op zijn schouder. Zonder met haar ogen te knipperen hield Lucy elke stap die hij zette nauwlettend in de gaten. Ook probeerde ze zijn gelaat te zien, maar dat was opnieuw gehuld in schaduw. Toen hij ter hoogte van haar eigen huis was, zag ze iets waardoor haar hart oversloeg. &lt;br /&gt;De zak bewoog. &lt;br /&gt;Gelijktijdig volgde een adrenalinestoot die door haar aderen stroomde. Haar benen begonnen te trillen, deels uit angst en deels uit opwinding. Iets in haar zei dat die man wat van plan was en dat zij de enige was die iets vermoedde.&lt;br /&gt;Opeens, alsof hij wist dat ze hem aan het bespieden was, draaide hij zich om en keek haar richting uit. Lucy’s hart versteende. Het trillen in haar benen hield op, alsof haar spieren geknapt waren. Verstijfd over haar hele lichaam keek ze naar de man, niet in staat om zich aan zijn blik te onttrekken. Had hij haar gezien? Waarschijnlijk niet, want hij draaide zich meteen weer om en liep verder naar het honkbalveld. De zak bewoog nog een keer.&lt;br /&gt;Zo snel als ze kon sprong Lucy in haar kleren en liep op de toppen van haar tenen naar de overloop. Daar sloop ze voorbij de open slaapkamer van Corey’s ouders waar vader Foley luid aan het snurken was. Ze probeerde om geen lawaai te maken, maar op sommige plaatsen kraakte de vloer bij de minste aanraking. Gelukkig kwam het luide gesnurk boven het gekraak uit. Eenmaal ze de kamer voorbij was, begaf ze zich naar die van Corey. De deur stond op een kier. Uit de kamer kwam een vaag licht dat afkomstig was van het televisiescherm. Ze stak haar hoofd naar binnen, keek naar de lichtbron en zag hoe de bemanning van een ruimteschip werd opgejaagd door een buitenaards wezen. Aan de andere kant van de slaapkamer hoorde ze de zware ademhaling van Corey die in een diepe slaap verwikkeld was. Het klokje naast zijn hoofd gaf twee uur drieëndertig aan. &lt;br /&gt;‘Corey?’ fluisterde ze.&lt;br /&gt;Corey draaide zijn hoofd en smakte met zijn mond, maar gaf verder geen reactie. Lucy schuifelde naar de rand van zijn bed en boog zich over hem.&lt;br /&gt;‘Corey?’ zei ze nogmaals, terwijl ze zachtjes in zijn arm kneep.&lt;br /&gt;Dit keer opende hij zijn ogen en keek haar verdwaasd aan.&lt;br /&gt;‘Hè, Lucy? Wat doe jij hier?’&lt;br /&gt;‘Snel, die man over wie ik je verteld heb is terug!’&lt;br /&gt;‘Welke man?’ &lt;br /&gt;‘De man die met zijn zak naar het honkbalveld gaat. Er zit iets…’&lt;br /&gt;‘Die sluikstorter?’ onderbrak Corey haar, wrijvend in zijn ogen.&lt;br /&gt;‘Snel, kijk door het raam, dan zie je hem zelf. Er zit iets…’&lt;br /&gt;‘Ach, wat kan mij dat nou schelen.’&lt;br /&gt;‘Kom op Corey, kijk dan toch.’&lt;br /&gt;Zuchtend stond Corey op. Hij wankelde naar het raam, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. De nachtwandelaar bevond zich nog net binnen zijn gezichtsveld.&lt;br /&gt;‘Zie je hem?’&lt;br /&gt;Corey kneep zijn ogen tot spleetjes en keek naar de zak. Plots deinsde hij achteruit.&lt;br /&gt;‘Er zit iets in die zak…’ stotterde hij, ‘…iets levends.’&lt;br /&gt;‘Dat probeer ik je nu al de hele tijd te vertellen. Zullen we hem volgen?’&lt;br /&gt; Corey vermande zich, geeuwde en zei: ‘Waarschijnlijk iemand die van zijn huisdier af wil, dat hoor je zo vaak tegenwoordig.’&lt;br /&gt;‘Dat geloof je toch zelf niet?’&lt;br /&gt;Lucy’s vastberadenheid bracht hem aan het twijfelen. Hij liet zijn tong tegen de binnenkant van zijn wangen glijden en keek naar het televisiescherm waar het buitenaards wezen een bemanningslid in zijn klauwen hield. &lt;br /&gt;‘Goed, we volgen hem… Op één voorwaarde.’&lt;br /&gt;‘En dat is?’&lt;br /&gt;‘Tot aan de omheining en niet verder.’&lt;br /&gt;Lucy knikte en beet haar lip bijna stuk van de spanning. In haar buik zwol een kriebel aan, alsof er een zwerm pasgeboren vlinders in losgelaten werd. Terwijl Corey zijn kleren over zijn pyjama trok, begaf ze zich naar de overloop. Het gesnurk van vader Foley klonk nog even luid als daarnet. Toen Corey klaar was, slopen ze zo geruisloos mogelijk de trap af. Beneden in de hal deden ze hun schoenen en jas aan. Vlak voor ze de duisternis in gingen, keken ze elkaar in de ogen. Ze lazen zowel angst als opwinding in elkaars blikken. Uiteindelijk openden ze de voordeur, klaar om het geheim van de nachtwandelaar te onthullen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Alle honden in de straat lagen in hun hok te slapen. Zelfs de anders zo waakzame labrador van Corey had geen zin om in de nacht van Halloween zijn taak te vervullen. Lucy en Corey zetten de achtervolging in op de nachtwandelaar die nog enkele tientallen meters van de omheining verwijderd was. Met hun jonge benen waren ze duidelijk sneller dan hem. Glippend van struik naar struik kwamen ze steeds dichter. Ze bleven zoveel mogelijk in de schaduwen om zichzelf niet te verraden, maar toen ze voorbij de tuin van de Collins’ liepen, slaakte een van hun drie katers een luide schreeuw. Ze schrokken zich rot en doken in een hulststruik, bang dat de man hen anders zou zien. Hij keek inderdaad achterom, een minuut lang, zonder te bewegen, maar ging toen weer verder. &lt;br /&gt;Lucy en Corey zuchtten opgelucht. Ze wrikten zich los uit de struik en ontdeden zich van de scherpgerande bladeren die in de kraag van hun jas staken. Hun handen en wangen zaten vol schrammen, maar door de spanning voelden ze de pijn niet. Voorzichtig zetten ze de achtervolging opnieuw in. &lt;br /&gt;Ze hadden een achterstand opgelopen. De man was al voorbij het laatste huis gegaan en begaf zich naar de losse planken in de omheining waarlangs Lucy en Corey eerder die dag waren binnengedrongen. Hij keek vluchtig achterom, haalde de zak van zijn schouder en duwde hem tussen de planken het terrein op. Daarna volgde hij zijn bagage.&lt;br /&gt;Corey zette een spurt in zodat Lucy amper nog kon volgen. Haar bovenlip glinsterde van het snot en ze hijgde zo hard dat haar adem langgerekte wolkjes maakte in de koude lucht. Ook al kon ze hem nauwelijks bijhouden met haar kortere benen, ze beet op haar tanden en volgde haar buurjongen, net zolang tot ze hun doel bereikten. &lt;br /&gt;Nu ze bij de omheining stonden, was er iets dat hen tegenhield om het veld in te kijken. Was het angst voor de waarheid? &lt;br /&gt;‘En nu?’ vroeg Corey, die het zweet van zijn voorhoofd veegde. &lt;br /&gt;Lucy zei niets. Ze keek hem aan met een blik die leek te zeggen dat de beslissing in zijn handen lag. Hij aarzelde even, maar trok uiteindelijk met trillende handen een plank opzij. Hoe voorzichtig hij dat ook deed, de plank kraakte alsof ze doormidden gebroken werd.&lt;br /&gt;‘Shit, als hij ons maar niet gehoord heeft,’ fluisterde hij.&lt;br /&gt;Gelukkig waren er net enkele kraaien met luid gekrijs overgevlogen die het gekraak overstemden. Alvorens een nieuwe poging te ondernemen, verwijderde hij enkele loszittende nagels waardoor hij de plank in zijn geheel uit de omheining kon nemen. Hij deed hetzelfde met de tweede plank zodat er een gat ontstond dat groot genoeg was om door te kruipen. Samen keken ze naar binnen. De mist, die het veld schijnbaar nooit verliet, was op dit moment zo dicht dat ze zelfs die droevige eik niet konden zien. Corey zette één voet op het gras.&lt;br /&gt;‘Niet voorbij de omheining had je gezegd.’&lt;br /&gt;‘Ik weet het,’ zei Corey, maar hij liet zijn voet staan. &lt;br /&gt;Terwijl hij de rest van zijn lichaam door het gat wrong zei hij: ‘Maar als we willen weten wat er in die zak zit, hebben we geen keuze.’&lt;br /&gt;De rollen waren nu omgedraaid. Het was Corey die haar moest overtuigen om het honkbalveld te betreden. Hij stak zijn arm uit naar haar. Ze beantwoordde zijn gebaar door haar hand in de zijne te leggen. Ze kneep erin. Nog nooit in haar leven was ze zo bang geweest als nu. Ze hoorde haar hart kloppen in haar trommelvliezen. Het liefst zou ze nu terugkeren en doen alsof ze die man met zijn zak nooit gezien had, maar nu ze zover waren, wilde ze geen gezichtsverlies leiden tegenover Corey. Zijn warme hand voelde fijn aan. Heel even voelde ze een aangename kriebel door haar onderbuik golven. Was het door de omstandigheden? Of was dit het gevoel van een eerste verliefdheid?&lt;br /&gt;Corey trok haar mee de mist in, op weg naar de plaats waar ze overdag bij de boom hadden gestaan. Hun blik reikte amper een meter ver. Ze moesten vertrouwen op hun geheugen in plaats van hun zintuigen. Op het moment dat het gekrijs van de kraaien verstomde, klonk er verderop in het veld een geluid. Het leek op een rits die geopend werd.&lt;br /&gt;‘De zak,’ fluisterde Lucy, ‘hij opent de zak.’&lt;br /&gt;Voorzichtig slopen ze in de richting van het geluid. Het eerste wat ze zagen waren de kromme takken van de eik die door de mist golfden. Langzaam maar zeker werd de rest van het reusachtige silhouet zichtbaar: de stam, de woekerende wortels en de immense kruin. De maneschijn priemde door de mist als was het een toneelspot. In de lichtcirkel naast de eik stond de man, gebukt over zijn zak. &lt;br /&gt;Tussen de mistbanken door konden Lucy en Corey zien hoe hij een gekneveld kind uit de zak haalde. Ze keken sprakeloos toe. Lucy’s hart begon steeds wilder te bonzen, haar greep rond Corey’s hand verstrakte. Met de andere hand bedekte ze haar mond opdat ze niet zou gillen. Ook haar buurjongen die zich daarnet nog zo moedig had getoond, stond nu als verlamd te kijken naar de bange blik in de ogen van het kind. Even leek het alsof dat arme jongetje hen gezien had en iets wilde roepen, maar de prop in zijn mond verhinderde dat. Gelukkig maar, dacht Corey, anders zou dat kind hen verraden en zou Lucy of hij de volgende zijn. &lt;br /&gt;De nachtwandelaar hield het jongetje nu in zijn beide armen en liep op de eik af. Bij de stam hield hij halt en keek naar de kruin. Opeens liet hij het kind vallen. Het landde met een plof in de donkere aarde. Daarop zette hij zijn hoed af en begon iets te prevelen als iemand die een offer bracht aan een of andere god. &lt;br /&gt;Onmiddellijk gebeurde er iets dat zelfs te absurd was voor de films die Corey de afgelopen avond had gekeken. De wortels van de eik begonnen een eigen leven te leiden en kronkelden als tentakels in de richting van het spartelende jongetje. Ze grepen hem bij zijn polsen en enkels en hielden hem treiterend in de lucht. Het jongetje, dat er blijkbaar in geslaagd was om de prop uit zijn mond te spuwen, uitte een gesmoorde schreeuw. Nog voor hij een tweede schreeuw kon uitbrengen, trokken de wortels hem onder de grond. Vanonder de omgewoelde aarde klonken allerlei afschuwelijke geluiden. Het leek wel een onweer vermengd met gedempt geschreeuw van iemand die gefolterd werd. Lucy en Corey hoorden nu het geluid van krakende botten. Het kind werd met huid en haar verslonden.&lt;br /&gt;Al die tijd stond de oude man roerloos toe te kijken, alsof hij dit al vaker had gedaan. Opnieuw trachtte Lucy een glimp op te vangen van zijn gezicht. Ze vroeg zich af of het een man uit Clovis was. Echter, in plaats van een gezicht ontwaarde ze diezelfde pikzwarte schaduw. Na wat ze net had zien gebeuren, zou het haar niet verbazen als dit geen mens was, maar een monster.&lt;br /&gt;Lucy en haar buurjongen waren erg dapper geweest – veel te dapper dan hen lief was – maar nu hadden ze genoeg gezien. Ze wilden zo snel mogelijk hier vandaan, weg van de man die de oude eik voedde met kinderen uit de buurt. Maar hun benen protesteerden. Hun voeten leken wel te zijn weggezakt in de grond. Ze konden niet anders dan dit macabere toneel aanschouwen tot het helemaal voorbij was. Het was zo gruwelijk dat ze vergaten hun ogen te sluiten. &lt;br /&gt;Toen de geluiden uiteindelijk verstomden en de laatste overblijfselen van het kind verteerd waren, zette de man zijn hoed weer op. Hij sloot de zak, gooide hem over zijn schouders en ging terug naar de rand van het honkbalveld. &lt;br /&gt;Doodsbang dat hij zich alsnog een keertje zou omdraaien, knepen Lucy en Corey in elkaars hand. Maar het monster draaide zich niet om, hij liep rechtdoor naar de omheining. Lucy kon wel wenen van opluchting. &lt;br /&gt;‘Het gat!’ fluisterde Corey opeens.&lt;br /&gt;Lucy keek in de doodsbange ogen van haar buurjongen. De spiertjes boven zijn jukbeenderen trilden. &lt;br /&gt;‘Wat is er met dat gat?’&lt;br /&gt;‘Als hij merkt dat die planken eruit zijn, dan weet hij dat iemand hem gevolgd is.’&lt;br /&gt;Daar had ze nog niet aan gedacht, maar hij had gelijk. Corey had verdorie gelijk. Er was maar één manier om te vermijden dat ze ontmaskerd zouden worden en dat was om bij de omheining te geraken voor de man. Ze schatten hun kansen in. Helaas, hij was al te ver, dat zouden ze nooit halen. Als hij het gat in de omheining zou ontdekken, zaten ze als ratten gevangen tussen de muren van het honkbalveld. &lt;br /&gt;Opeens hoorden ze gierende banden in de straat, daarna een doffe klap en het geluid van rinkelend metaal. Ze keken elkaar verbaasd aan en dan weer naar de schim. Tussen enkele mistbanken zagen ze hoe hij door het gat kroop en vluchtte. Was hij opgeschrikt door het plotse lawaai? &lt;br /&gt;In de straat klonk luid gezang dat afkomstig was van een mannenstem. Lucy spitste haar oren. &lt;br /&gt;‘Meneer Collins?’ dacht ze hardop.&lt;br /&gt;Corey fronste zijn wenkbrauwen. De angst op zijn gezicht ebde zienderogen weg. Ook Lucy perste nu een glimlach uit haar gelaatsspieren. Ze liepen naar het gat, kropen erdoor en controleerden of het monster weg was, of het hen niet stiekem opwachtte achter de planken om hen aan de boom te offeren. Dat bleek gelukkig niet het geval te zijn. Er was geen spoor meer van hem te bekennen.&lt;br /&gt;Meteen liepen ze de straat op waar ze een dronken meneer Collins aantroffen. Blijkbaar was hij tegen enkele vuilnisbakken gereden en stond hij dit nu te vieren, dansend op het dak van zijn wagen met een flesje bier in zijn hand. Uitgerekend hij had hen met zijn kabaal uit de klauwen van dat monster gered. Nu kwam het erop aan om hun ouders te overtuigen van wat er gebeurd was zonder dat hun verhaal werd afgewimpeld als fantasie.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het had Lucy heel wat moeite gekost, maar na lang zeuren had ze haar ouders toch zover gekregen dat ze haar volgden naar het honkbalveld. Gefronste wenkbrauwen waren hun eerste reactie toen ze het onsamenhangende verhaal hoorden. Pas nadat Corey de feiten had bevestigd en de gruwelijke gebeurtenissen tot in de kleinste details had naverteld, begonnen hun twijfels te verbrokkelen. Was het niet door de wanhoop op de gezichten van de kinderen, dan wel uit gewetenswroeging omwille van wat er met William gebeurd was.&lt;br /&gt;Vader Feldman, die een kettingzaag in zijn bevende handen hield, stapte aarzelend naar de kolossale eik. Uit zijn ogen vloeiden tranen.&lt;br /&gt;‘Eindelijk begin ik het allemaal te begrijpen,’ mompelde hij, ‘na al die jaren.’&lt;br /&gt;‘Wat bedoel je, papa?’&lt;br /&gt;‘William...’&lt;br /&gt;Lucy keek naar de treurige gezichten van haar ouders. Het uitspreken van zijn naam bezorgde hen duidelijk nog veel verdriet. Ze hadden haar nooit verteld wat er precies met hem gebeurd was. Hoewel ze haar grote broer nooit gekend had, kon ze diep binnenin wel voelen hoe ze hem miste. Dit jaar zou hij eenentwintig geworden zijn. &lt;br /&gt;‘Wat is er met William gebeurd, papa?’&lt;br /&gt;Het was haar moeder die snikkend antwoordde: ‘William is op zijn zesde verdwenen terwijl hij op snoepjesjacht was met Halloween. Ontvoerd, net als die andere kinderen uit de buurt. De politie heeft nooit geweten wie of wat er achter hun verdwijningen zat, maar jij en Corey hebben na al die jaren het raadsel opgelost.’&lt;br /&gt;‘Het is onze eigen fout,’ repliceerde Lucy’s vader, terwijl hij de kettingzaag met een ronkend geluid in werking trok.&lt;br /&gt;‘Wat bedoelt papa?’&lt;br /&gt;‘Dat de inwoners van Clovis het voorstel om het bos dat hier ooit stond om te kappen, nooit hadden mogen steunen.’&lt;br /&gt;‘Het bos omkappen zodat de inwoners van Clovis hier konden honkballen?’ vroeg Corey.&lt;br /&gt;‘Precies, en samen met het bos werd ook het huis van meneer Fitzgerald met de grond gelijk gemaakt, omdat het in de weg stond. De oude man heeft daardoor zijn intrek moeten nemen in het rusthuis.’&lt;br /&gt;‘En ironisch genoeg heeft dit veld amper een jaar dienst gedaan, zodat al die problemen voor niets zijn geweest,’ mopperde Lucy’s vader.&lt;br /&gt;‘Zou meneer Fitzgerald…’&lt;br /&gt;‘Al die kinderen ontvoerd hebben? Ik vrees het wel, schatje.’&lt;br /&gt;‘Om wraak te nemen op alle inwoners die dat voorstel gesteund hebben?’&lt;br /&gt;Het kabaal van de kettingzaag overstemde Lucy’s vraag. Haar vader zette het ratelende metaal tegen de boomschors. Langzaam maar zeker verdween het lemmet met een snerpend geluid in de stam. Op hetzelfde moment vervaagde de mist waardoor de blauwe ochtendhemel helemaal zichtbaar werd. Na enkele minuten begon de kolossale eik te kraken. Zijn takken wiebelden heen en weer. &lt;br /&gt;Corey nam Lucy bij haar hand en trok haar achteruit zodat ze op een veilige afstand stonden. Ze keken naar elkaar en hij gaf haar een kus op de wang. Lucy bloosde. Uiteindelijk viel de boom met een oorverdovende dreun tegen de vlakte. Zijn rijk was uit. Nooit zou hij nog kinderen uit de buurt verslinden en weldra zou meneer Fitzgerald gearresteerd worden door de politie.&lt;br /&gt;Lucy was nog onder de indruk van de kracht waarmee de boom tegen de grond was gevallen, toen ze iets zag bij het overgebleven stukje boomstam. Ze wilde Corey en haar ouders hiervan op de hoogte brengen, maar haar stembanden weigerden elke medewerking. Daarom stak ze haar arm uit en wees voor zich uit opdat ze zouden zien wat zij zag. Ze keken nu allemaal vol ongeloof naar het lint van gloeiende vlekken dat uit de boomstam ontsnapte. Alsof het ballonnen waren dwarrelden ze door het luchtruim.  &lt;br /&gt;‘Kijk,’ zei Lucy, die haar stem had teruggevonden, ‘het zijn de zielen van alle kinderen die ooit verdwenen zijn.’&lt;br /&gt;Hoewel er nog steeds tranen over hun wangen rolden, glimlachten haar ouders. &lt;br /&gt;‘Waarom glimlachen jullie, mama?’&lt;br /&gt;‘Omdat William eindelijk vrijgelaten wordt en op weg is naar een betere plaats.’&lt;br /&gt;‘De hemel?’&lt;br /&gt;Haar moeder knikte. Op dat moment verliet een van de zielen de anderen en zweefde in de richting van de Feldmans. Enkele meters boven hun hoofden bleef ze hangen, alsof ze hen iets wilde zeggen. &lt;br /&gt;Met haar vrije hand wuifde Lucy naar de kinderziel. &lt;br /&gt;‘Vaarwel grote broer,’ fluisterde ze.&lt;br /&gt;Ze kreeg een warm gevoel vanbinnen. Toen ook haar ouders afscheid hadden genomen van haar grote broer, sloot de ziel terug aan bij de rest om voor een tweede keer uit hun leven te verdwijnen.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-4727334609862431863?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/4727334609862431863/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/halloween.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4727334609862431863'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/4727334609862431863'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/halloween.html' title='Halloween'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-6188810051154596086</id><published>2011-10-07T17:18:00.000+02:00</published><updated>2011-10-07T17:19:06.115+02:00</updated><title type='text'>Volle maan</title><content type='html'>Voor de derde avond op rij was er een verminkt lijk aangetroffen in Pont-y-Pant. Georgie’s moeder draaide de volumeknop van de radio open. Deze keer was het slachtoffer Aeron, de eigenaar van Aeron’s pub, de bar waar Georgie’s vader wel eens bleef hangen na het werk toen hij nog leefde. Net zoals bij de vorige twee lichamen waren er ook nu afdrukken van grote, scherpe tanden gevonden in de keel. Het strottenhoofd met één beet verbrijzeld, overal bloed. De man die Aeron had aangetroffen bij de vuilnisbakken achteraan de bar, was nog steeds in shock. Zijn gegil was tot drie straten verder te horen geweest. &lt;br /&gt;‘Mama, zijn er weerwolven in ons dorp?’ Georgie stond onderaan de trap in zijn pyjama. Er klonk angst in zijn stem.&lt;br /&gt;‘Schatje, weerwolven bestaan alleen in films en in boeken. Ze zijn een mythe.’&lt;br /&gt;Georgie knikte, maar hij was niet overtuigd.&lt;br /&gt;‘Die fantasie van jou slaat soms helemaal op hol. Dat komt ervan als je teveel griezelige strips leest.’&lt;br /&gt;Dat deed hij inderdaad, al sinds hij kon lezen. Elke avond voor het slapengaan, onder zijn lakens in het veilige licht van zijn zaklamp, met Nanook spinnend naast hem op bed, terwijl de regen tegen het venster tikte en de huilende wind langs de bomen rond hun huis gierde.&lt;br /&gt;‘Maar Ryan zegt dat weerwolven wél bestaan.’&lt;br /&gt;‘Dat zegt hij alleen maar om je bang te maken. Je hoeft niet alles te geloven wat hij zegt.’&lt;br /&gt;Georgie zette een droevig gezicht op.&lt;br /&gt;‘Mama, heb jij Nanook gezien?’ &lt;br /&gt;‘Misschien is hij buiten. Je weet toch dat Nanook graag op pad gaat om muizen te vangen?’&lt;br /&gt;‘Maar ik wil niet dat hij buiten is, zeker niet als er een weerwolf rondloopt. Als hij-.’&lt;br /&gt;Georgie’s moeder kwam dichterbij en pakte zijn hand vast. Ze keek hem recht in de ogen.&lt;br /&gt;‘Schatje, weerwolven bestaan niet. Echt niet. En als ze wel zouden bestaan, dan zijn ze lang niet snel genoeg om Nanook te pakken.’&lt;br /&gt;Georgie geeuwde. Voorlopig was hij gerustgesteld, maar hij zou pas echt vast kunnen slapen als Nanook weer naast hem lag.&lt;br /&gt;‘Kom, ik zal je onderstoppen.’&lt;br /&gt;Georgie kneep stevig in de hand van zijn moeder en volgde haar naar boven, naar zijn kamer die uitkeek op de donkere bossen. Met een zucht ging hij in bed liggen.&lt;br /&gt;‘Deze kan voorlopig wel weg,’ zei Georgie’s moeder terwijl ze een strip met een harig beest op de voorkant in de kast legde. Vervolgens liep ze naar het venster ertegenover en ongerust naar buiten kijkend controleerde ze of het goed dicht zat. Nadat ze de gordijnen toe had gedaan, stopte ze hem Georgie en drukte een kus op zijn voorhoofd.&lt;br /&gt;‘Welterusten.’ &lt;br /&gt; ‘Welterusten, mama.’ &lt;br /&gt;Van zodra de deur dicht ging en hij de voetstappen naar beneden hoorde gaan, gleed Georgie uit bed. Hij sloop naar het venster en opende het waardoor een kille, vochtige herfstwind naar binnen drong. Georgie’s ogen dwaalden over de toppen van de bomen die van links naar rechts zwiepten en hun dorre bladeren van zich afschudden. Hij keek naar boven, naar de duistere wolkensluiers en naar de volle maan die hoog aan de hemel blonk als een zilveren munt. Ze leek naar hem te grijnzen en hij huiverde. &lt;br /&gt;‘Naaanoook!’ &lt;br /&gt;Hij riep de naam van de kater verschillende keren, maar de enige reactie die er kwam was gehuil in de verte. Het was de wind. Dat hoopte hij toch… Op het moment dat hij het venster weer wilde sluiten, hoorde hij geritsel. Georgie keek in de zwarte diepte en deinsde achteruit toen hij twee groene ogen zag oplichten tussen de bomen. Hij kon niet schreeuwen, daarvoor was hij te bang. &lt;br /&gt;De ogen kwamen dichterbij. HET had hem gezien! &lt;br /&gt;Georgie zag een grote zwarte kop naderen, met scherpe, gelige tanden erin die uit een dampende bek staken. Daarachter een donkere vacht die glinsterde in het maanlicht als een meer op een zonnige zomerdag. &lt;br /&gt;Het beest kwam op hem af. Eerst traag, zoals een roofdier zijn prooi besluipt en dan razendsnel. In minder dan twee seconden stond het voor het huis. Zijn gebrul klonk als een donderslag.&lt;br /&gt;Georgie’s kruis werd vochtig en warm. Hij was in zijn broek aan het plassen en hij voelde de urine langs zijn broekspijpen op zijn blote voeten stromen. Hij kon nog steeds niet schreeuwen en strompelde achteruit, zijn ogen op het beest gericht. &lt;br /&gt;En toen sprong het omhoog, zijn muil wijd opengesperd, groot genoeg om een kind van acht in één keer op te slokken. Zijn klauwen leken wel messen die een mensenlichaam met één haal in stukken konden rijten.&lt;br /&gt;Georgie dacht dat hij er geweest was en eindelijk slaagde hij erin om alle angst uit zijn lichaam te persen. &lt;br /&gt;‘Mamaaa!’&lt;br /&gt;Juist op het moment dat zijn stem uitstierf, zag hij het beest kleiner worden tijdens zijn sprong, en toen het op zijn vensterbank landde, stond Nanook vlak voor zijn neus. Hij miauwde en gaf een kopje tegen het raamkozijn.&lt;br /&gt;Kort daarna kwam Georgie’s moeder met veel kabaal de kamer binnengestormd. &lt;br /&gt;‘Schatje, wat is er? Je brengt mama aan het schrikken.’ Ze klonk buiten adem. &lt;br /&gt;‘Het is niets,’ stotterde Georgie terwijl hij Nanook aaide. ‘Ik dacht dat…’&lt;br /&gt;‘Wat?’&lt;br /&gt;‘Dat ik een weerwolf had gezien, maar het was Nanook. Het spijt me dat ik je deed schrikken, mama.’&lt;br /&gt;‘Nu is het welletjes geweest, jongeman. Voortaan geen enge strips meer voor jou.’ Ze stapte kordaat naar de kast, haalde de stapel stripverhalen eruit en terwijl ze er de kamer mee uitliep zei ze: ‘En sluit het venster, straks vat je nog kou.’ Ze was zo boos dat ze niet eens de natte plek op Georgie’s pyjama had gezien.&lt;br /&gt;‘Ja, mama.’&lt;br /&gt;De deur ging dicht en nadat hij het venster had gesloten, moffelde Georgie zijn vieze pyjama in een hoek van de kamer en nam een schone uit de kleerkast. Vervolgens liet hij zich op bed vallen. Nanook sprong naast hem op de lakens en Georgie aaide hem over zijn rug. In het licht van de maan zag hij dat er donkerrode smurrie rond zijn mond zat, er zat zelfs een beetje op zijn tanden. &lt;br /&gt;‘Heb je weer een muis gevangen?’ grinnikte Georgie.&lt;br /&gt;Nanook miauwde. Met een bloedrode tong likte hij zich schoon en vlijde zich daarna tegen Georgie aan om even later spinnend in slaap te vallen.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-6188810051154596086?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/6188810051154596086/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/volle-maan.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/6188810051154596086'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/6188810051154596086'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/volle-maan.html' title='Volle maan'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-1311136776371563910</id><published>2011-10-07T17:14:00.001+02:00</published><updated>2011-10-07T17:17:09.709+02:00</updated><title type='text'>Pisang Ambon</title><content type='html'>&lt;span style="font-style:italic;"&gt;‘Nog één druppel en je bent voorgoed je gezin kwijt!’&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Angela’s allerlaatste waarschuwing galmde als een gong door Earls hoofd terwijl hij het laddertje naar de zolder opkroop. Ze was Timmy gaan afhalen van school en over een kwartiertje zou ze pas thuiskomen. Net genoeg voor één glas Whisky, besloot Earl. Hij begaf zich naar de zolder, de enige plek in huis waar hij nooit eerder drank verstopt had. Na zeven jaar huwelijk kende Angela al zijn geheime plaatsjes: de ladekast in zijn studeerkamer, een lege gereedschapskoffer in de garage en zelfs de valse wand onder de schoorsteenmantel. Op zolder zou ze nooit zoeken, daar was hij van overtuigd. Ze was als de dood voor stof en spinnen. Haar laatste bezoek dateerde van enkele jaren geleden, toen ze de kerstversiering ging halen en plots een paniekaanval kreeg omdat er een harige spin over haar vingers kroop. Die dag had ze gezworen om er nooit nog een voet binnen te zetten. Ze had woord gehouden en Earl had zich in de daaropvolgende jaren opgeofferd om rond kersttijd de slingers van onder het stof te halen. En nu was hij hetzelfde van plan met de Whisky.&lt;br /&gt;Earl was al vijf maanden en negenentwintig dagen nuchter. Een persoonlijk record, maar het moment waar hij zo voor vreesde was deze namiddag aangebroken. Hij snakte naar zijn goede vriend Jack Daniels, naar dat warme gevoel in zijn slokdarm en naar de tintelingen in zijn hoofd. Hoezeer hij zijn verslaving ook verafschuwde, hij kon de drang niet langer weerstaan. &lt;br /&gt;Als Angela erop uit zou komen dat hij opnieuw aan de drank was, zou ze hem met slaande deuren verlaten. Ze zou Timmy meenemen, vervolgens een dure advocaat inhuren die hem zou kaalplukken en tenslotte een nieuw leven beginnen in een andere staat. Earl huiverde bij dat doembeeld. Hij kreeg er zelfs kippenvel van. &lt;br /&gt;Angela was een mooie vrouw, dus het zou zeker niet lang duren voor ze een man aan de haak zou slaan die haar datgene kon bieden waar Earl niet meer toe in staat was. Ze wilde graag een tweede kind, maar Earl kon haar dat niet schenken, althans niet meer sinds de operatie aan zijn mannelijkheid twee maanden geleden. Hij wist dat er een dag zou komen dat hij zijn frustratie hierover zou wegspoelen met alcohol. Hij had alleen niet gedacht dat die er zo snel zou zijn.&lt;br /&gt;Eenmaal boven klopte hij het stof van zijn mouwen en liep naar zijn geheime bergplaats. Als een kind dat een snoepje steelt nam Earl de fles Whisky uit een van Timmy’s lege legodozen en keek smachtend naar de hem vertrouwde amberkleurige drank die erin zat. Vaarwel Angela. Het spijt me Timmy. Hij draaide aan de stop, maar nog voor die loskwam, legde hij ze weer terug.&lt;br /&gt;‘Nee, eerst een slokje Pisang!’ &lt;br /&gt;Earl had de gifgroene likeur samen met de Whisky gekocht, zij het eerder uit weemoed dan dat het zijn dorst naar alcohol zou stillen. Misschien was het zijn manier om de gevolgen van zijn operatie te verdringen, om herinneringen aan betere tijden te herbeleven. De bananendrank lag achter een oude spiegel die bedekt was met spinrag. Toen hij zijn hand uitstak naar de fles, de zijdeachtige draden ontwijkend, merkte hij dat zijn vingers heftig beefden. Was het uit angst om betrapt te worden? Of uit opwinding omdat er eindelijk weer alcohol door zijn aders zou vloeien? Waarschijnlijk beide, dacht Earl, terwijl hij de stop losdraaide en met gesloten ogen aan het exotische aroma snoof. &lt;br /&gt;In zijn gedachten herbeleefde hij zijn eerste huwelijksnacht in Hawaï. Angela en hij zaten samen op het strand, boven hen een brandende zon waaraan ze pijnlijke blaren zouden overhouden, voor hen een diepblauwe oceaan waarin gebruinde surfers de golven trotseerden. Hun handen lieten elkaar niet los – tenzij om sporadisch hun glas Pisang Ambon naar hun mond te brengen – tot ‘s avonds de zon in de zee verdween en de surfers een voor een hun domein verlieten. Op het moment dat ze het strand voor zich alleen hadden vreeën ze hartstochtelijk in het warme zand, met duizenden sterren als getuigen van hun liefde. Negen maanden later werd hun geluk vereeuwigd met de geboorte van hun zoon.&lt;br /&gt; Gedurende enkele seconden twijfelde Earl of hij de drank niet alsnog in het toilet zou uitgieten. Het was dat of alles tot de laatste druppel opdrinken. Een tussenweg was er niet. De flessen onaangeraakt op zolder laten liggen, wetende dat ze hem lonkten elke keer als zijn lichaam om alcohol smeekte, was een marteling. &lt;br /&gt;‘Eén slok, meer niet,’ loog hij zichzelf voor. Het bleef natuurlijk nooit bij één slok. Hij klikte afwegend met zijn tong tegen zijn gehemelte, zette vervolgens de fles tegen zijn lippen en liet de Pisang Ambon geleidelijk naar zijn keel glijden.&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;‘Nog één druppel en je bent voorgoed je gezin kwijt!’&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Nog voor hij een slok had genomen ontsnapte er een gesmoorde gil uit zijn mond. Jammerend van pijn en met zijn voeten stampend op de plankenvloer, liet hij de fles vallen. Die rolde naar de andere kant van de kamer waar ze tussen enkele glinsterende kerstslingers verdween. Maar Earl had geen oog meer voor de Pisang Ambon. Hij likte over zijn onderlip die brandde en siste alsof er een druppel zuur op lag. Op hetzelfde moment zag hij voor zijn ogen een zwart rookpluimpje dansen. &lt;br /&gt;Toen de ergste pijn voorbij was en hij weer helder kon nadenken, boog Earl door zijn knieën zodat hij met zijn gezicht voor de spiegel zat. Hij verwijderde de spinnenwebben en bestudeerde zijn spiegelbeeld. Vol ongeloof legde hij een vingertop op het gerafelde gat in zijn lip. ‘Zuur?’ vroeg hij zich luidop af. Die ene druppel die bij het kantelen van de fles zijn lip had geraakt, was genoeg om er een gat in te branden. &lt;br /&gt;Met zijn mouw tegen de wonde gedrukt kroop Earl over de houten planken, op zoek naar de fles. Toen hij ze tussen de kerstslingers vond, raapte hij ze op en ontdekte tot zijn verbijstering dat ze helemaal leeg was. Er was geen druppeltje meer te bespeuren. Nergens een plas op de plankenvloer, nergens de geur van bananen. De Pisang Ambon was spoorloos verdwenen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Plots werd Earl opgeschrikt door oorverdovend geschreeuw. Het was Timmy. Earl liet zich van het laddertje zakken en stormde de trappen af. Eenmaal op de overloop verstijfden al zijn spieren. Hij kreeg geen adem meer. &lt;br /&gt;De lijkbleke Timmy stond over het lichaam van zijn moeder gebogen. Ze lag bij de voordeur in een felgroene plas, haar hoofd in een onnatuurlijke houding gewrongen. &lt;span style="font-style:italic;"&gt;Uitgegleden en haar nek gebroken? &lt;/span&gt;vroeg Earl zich af. Veel tijd om over haar toestand te speculeren had hij niet, want in enkele seconden tijd verdampte de Pisang Ambon tot een dichte nevel die het op zijn zoon gemunt had. De groene wolk dompelde de hal onder in een mierzoet aroma. &lt;br /&gt;Net als Earl stond arme Timmy als vastgevroren toe te kijken naar dit onwaarschijnlijke schouwspel. Lang duurde diens verbazing echter niet. De mist kroop langs zijn lichaam omhoog en wurmde zich als een slang in zijn openhangende mond. Blijkbaar vond hij nu toch de kracht in zijn ledematen terug, want hij sloeg molenwiekend om zich heen. Zijn handjes maaiden gaten in de groene nevel. Het baatte niet. Zijn gezicht veranderde van lijkbleek naar dieppaars.&lt;br /&gt;Earl wilde zijn zoon ter hulp snellen, maar zijn bewegingen waren als die van een dronken man: loom en weinig doeltreffend, alsof de mist zijn geest beneveld had. Het gebeurde allemaal zo snel. Hij kon niet anders dan lijdzaam toekijken hoe zijn zoon geen lucht meer kreeg, stikte en vervolgens als een pudding in elkaar zakte. Onmiddellijk vulden zijn ogen zich met tranen, eerst van machteloosheid, daarna van verdriet en tenslotte van woede. Zijn tranen wegvegend zag hij hoe de Pisang Ambon het dode lichaam van zijn zoon verliet. &lt;br /&gt;De zoete bananenwolk kwam nu op hem afgevlogen. Angstzweet brak hem uit. Hij wilde terug naar de zolder vluchten, alvorens hem hetzelfde als zijn vrouw en Timmy zou overkomen, maar miste in al zijn haast een trede waardoor hij over zijn schenen naar beneden schoof. De schade bleef gelukkig beperkt. Hij veerde meteen weer op en deed een tweede poging, maar al snel bleek dat de Pisang Ambon niet op een derde slachtoffer uit was. In plaats van Earl te vermoorden, wrong het zich terug in de fles die hij ondanks zijn val nog steeds in zijn klam geworden hand hield. &lt;br /&gt;Ogenblikkelijk werd de nevel weer vloeibaar. De typische geur en kleur waren die van Pisang Ambon zoals Earl die de eerste keer op het strand in Hawaï had gedronken. ‘Neem nog een slokje, Earl. Toe, eentje maar,’ lonkte de drank hem.&lt;br /&gt;Maar dit keer liet Earl zich niet verleiden. Hij gooide de fles naar beneden, op de tegelvloer waar ze in stukken uiteenspatte. Toen het gerinkel van de scherven uitstierf, gonsde de stem van zijn dode vrouw weer door zijn hoofd: &lt;span style="font-style:italic;"&gt;‘Nog één druppel en je bent voorgoed je gezin kwijt!’ &lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-1311136776371563910?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/1311136776371563910/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/pisang-ambon.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/1311136776371563910'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/1311136776371563910'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/10/pisang-ambon.html' title='Pisang Ambon'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-3765170575576768624</id><published>2011-08-04T20:09:00.003+02:00</published><updated>2011-08-04T20:15:31.625+02:00</updated><title type='text'>Terra Incognita</title><content type='html'>&lt;span style="font-style:italic;"&gt;fragmenten uit het teruggevonden dagboek van ontdekkingsreiziger Willem Janszoon&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;19 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Deze ochtend werd ik opgeschrikt door een vreemde brief. Uit het chique zegel dat de enveloppe dichthield kon ik opmaken dat de brief, die mijn knecht mij had overhandigd, belangrijke informatie bezat. Hij bevatte ofwel heel goed, ofwel heel slecht nieuws. Maar het was sowieso belangrijk nieuws en dus trok ik me terug in het salon om me in alle rust en stilte toe te leggen op het lezen van de brief. Ondertussen dronk ik een glas Franse wijn. Ik heb een diepe zucht geslaakt toen ik de laatste in dure inkt geschreven woorden absorbeerde. Het was het voorbarige dankwoord van koopman Gerrit van der Vaart dat me tot die zucht bracht. Het was namelijk op zo’n toon en met de nodige vleierij geschreven, dat de gunst die van der Vaart me vooraan in de brief vroeg, moeilijk (zoniet onmogelijk) te weigeren was. &lt;br /&gt;Het ziet er naar uit dat ik opnieuw de zee op moet. Opnieuw met mijn tweemaster over de golven ruisen, het ruime sop en de onherbergzaamheid tegemoet. Met deze missie moet ik voor van der Vaart een nieuwe handelsroute naar Azië uitstippelen, via de meest noordelijke wateren van de aarde. &lt;br /&gt;De tijd dat enkel de Portugezen en de Spanjaarden over de oceanen regeerden is definitief voorbij. In de laatste decennia hebben wij, Hollanders, onze achterstand ingehaald en zijn wij erin geslaagd om de haven van Amsterdam uit te bouwen tot een van de belangrijkste van Europa. &lt;br /&gt;Ik besef dat deze missie niet zonder gevaar is, maar ze zal me, indien ik en mijn mannen ze tot een goed einde brengen, genoeg geld opleveren om de rest van mijn dagen zonder zorgen te slijten aan de kaaien van mijn geliefkoosde stad. Ik neem me voor om me vierentwintig uur over mijn beslissing te beraden, ook al weet ik het antwoord eigenlijk al vanaf het moment dat ik die brief opende. Een kans op zoveel geld, en vooral roem, die kan een schipper met mijn staat van dienst niet aan zich voorbij laten gaan.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;20 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik heb de hele nacht zitten piekeren over het grote avontuur dat mij en mijn bemanning te wachten staat. Toen ik deze ochtend ben opgestaan, ging mijn aandacht meteen naar het schrijven van een bevestigend antwoord aan van der Vaart. Mijn volgende taak bestond erin om zo zorgvuldig mogelijk mijn scheepsmannen te selecteren. Deze zoektocht bracht mij naar de vale kaaien en de donkerste kroegen van Amsterdam, waar ik vol goede moed vrijwilligers ben gaan ronselen. Mijn reputatie van norse kapitein en de uiterst gevaarlijke aard van de langdurige reis maakte mijn zoektocht er niet gemakkelijk op, maar eens de potentiële kandidaten te horen kregen wat er met deze missie te verdienen viel, veranderde hun afkeurende houding plots in een ontembaar enthousiasme. Bovendien was de eer om als eerste een noordelijke doorvaart naar Azië te ontdekken voor veel van hen een droom. Echter, het was evenzeer een vrees, want niet zelden draaien zulke pogingen uit op de dood. Maar een echte ontdekkingsreiziger geeft de voorkeur aan sterven tijdens een heldendaad dan aan het alledaagse leven van plaatselijke visvangst en zuipen in de kroeg. &lt;br /&gt;De eerste die toehapte was Rafaël Meer, een jonge knaap van achttien. Ik had aanvankelijk mijn bedenkingen bij zijn gebrek aan ervaring. Toch heeft hij mij weten te overtuigen door het enthousiasme, het lef en de toewijding die uit zijn jeugdige ogen spraken. Ik zal hem goed kunnen gebruiken, desnoods als dekzwabber. Het was een kort gesprek. Rafaël was onder de indruk van de omvang van de expeditie en stond zichtbaar te popelen om te vertrekken. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;24 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;De voorbije dagen ben ik op zoek gegaan naar enkele betrouwbare, hardwerkende schippers. Een bijkomende vereiste was dat ze ongetrouwd waren, op die manier zouden ze geen last krijgen van heimwee tijdens de reis. Ik heb daarvoor vele kroegen afgeschuimd. Uiteindelijk heeft het vier volle dagen geduurd tot ik veertien ruige mannen verzameld had. Onder de schippers waren ook een timmerman, een scheepsarts en een kok. Met enkelen van hen heb ik reeds samengewerkt aan een mislukte expeditie naar de Noordpool – we hebben die reis vroegtijdig moeten afbreken wegens aanhoudende stormen op zee – anderen kende ik van ziens of van reputatie. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;25 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Jacob is een oude vriend van me. Ik wil dat hij de bemanning voltallig maakt; hij moet namelijk mijn eerste stuurman worden. Om hem te overtuigen moest ik meer moeite doen dan bij de andere schippers, dus had ik hem deze middag thuis uitgenodigd om samen te dineren en de reis te bespreken. Waar de andere jongens nog worden aangedreven door adrenaline en heldhaft, heeft Jacob de nodige heldendaden al achter zijn naam staan. Hij heeft bij een eerdere expeditie namelijk de dood reeds in de ogen gekeken. Bij zijn terugkomst had hij gezworen nooit nog de ijzige wateren van het barre poolgebied te doorkruisen. &lt;br /&gt;Het was een gemoedelijk gesprek waarin we vele herinneringen hebben opgehaald. Pas toen de dikke groentesoep die mijn lieve vrouw had klaargemaakt goed en wel verteerd was, en we bij de open haard gingen zitten, werd het gesprek serieuzer. Jacob had een voorgevoel waar ik op aanstuurde – hij had namelijk al geruchten over mijn nieuwe opdracht opgevangen – maar hij had zich voorgenomen om geen toegevingen meer te doen; in het belang van zichzelf en zijn gezin. Uiteindelijk leek ook hij te gaan zwichten. Niet voor de roem of het avontuur, wel voor het geld dat hij zou gebruiken om zichzelf en zijn gezin voor altijd uit de gure contreien van Amsterdam weg te halen. Na al die jaren was hij de haven en de stank van rotte vis die er hing gaan verafschuwen. Een boerderij sprak hem meer aan, ook al had hij van het boerenleven geen kaas gegeten. Het was de droom van zijn vrouw om op een dag terug te keren naar haar geboortestreek, naar de groene Friese weiden waar de koeien en schapen vreedzaam grazen. Ten laatste morgenavond zal Jacob mij zijn definitieve beslissing meedelen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;27 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Met opluchting en vreugde schrijf ik dat Jacob een halfuur geleden zijn officiële bevestiging heeft gegeven. Het is een geruststelling dat een schipper met zijn ervaring en kwaliteiten ons zal vergezellen op deze lange en zware reis.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;28 februari 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Deze ochtend verzamelden wij – Jacob, Rolf de scheepsarts, Corneel de timmerman en ikzelf – ons voor het huis van van der Vaart, waar wij met hem een afspraak hadden. Het was geen groot huis, zoals je zou verwachten van een van de meest vooraanstaande koopmannen uit Amsterdam, maar het was wel ontzettend mooi afgewerkt met dure materialen. Het frivole interieur stond haaks op het gereserveerde karakter van van der Vaart. Hij was een man van vooraan de vijftig en daarmee ongeveer even oud als Jacob en ikzelf; en dus een pak ouder dan het merendeel van mijn scheepsmannen. Met tegenzin had hij ons allemaal in zijn huis binnengelaten. Hij had een deel van ons liever in de regen laten staan en de nodige regelingen met enkel mezelf getroffen. Ik stond er echter op dat de ruggengraat van mijn bemanning van bij het begin overal bij betrokken werd. &lt;br /&gt;Het was een zakelijk gesprek. De bestemming was vooraf bekend: Azië. De primaire doelstelling was een termijn afspreken waarbinnen de expeditie zou verlopen. Met mijn ervaring uit vorige expedities in het achterhoofd heb ik geponeerd dat, gezien de immense afstand en de barre weersomstandigheden in het poolgebied, we minstens een jaar zouden nodig hebben om de missie tot een goed einde te brengen. Daarna verschoof het gesprek naar de praktische kant van de expeditie. We onderhandelden over de proviand en andere benodigdheden zoals wapens, houtskool en kledij. Die zullen allemaal voorzien worden, zonder dat wij daarbij een deel van ons loon hoeven in te leveren. Ook overhandigde van der Vaart mij een wereldkaart die cartograaf Pieter Reis van de Turken had verkregen. Het was mijn taak om de met “Terra Incognita” gemarkeerde gebieden verder uit te tekenen. Tenslotte – en hiervoor stond mijn bemanning te trappelen van ongeduld – kwam de uitbetaling aan bod. Er werd afgesproken dat voor ons vertrek een voorschot van vierhonderd gulden voorzien wordt. Pas als de noordelijke doorvaart met succes wordt afgerond, krijgen we van de Staten-Generaal nog een geldbedrag in overeenstemming met onze ervaring, expertise en leeftijd. Van der Vaart wenste ons een behouden terugkomst.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;9 april 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Morgen zal mijn schip, de Dialabrie, uitvaren. Ik voel me gespannen, maar eveneens opgetogen over wat ons te wachten staat. Na drie jaar binnenvaart kan ik eindelijk weer de oceaan op. Met pijn in het hart laat ik mijn lieve vrouw achter. Ik heb haar beloofd dat dit mijn laatste ontdekkingsreis zou zijn. Met het geld dat ik aan deze expeditie zal overhouden, hoeven wij ons nooit nog zorgen te maken. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;10 april 1596 &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Deze ochtend hebben wij de haven van Amsterdam achter ons gelaten. Het weer was aangenaam en het water kalm. De zon scheen fel aan de hemel en er waaide een zachte bries in de zeilen. Het vertrek van de lange reis verliep gesmeerd, ook al was de stemming aan boord lichtjes gespannen. Vandaag zijn wij vertrokken voor wat allicht de gevaarlijkste en meest memorabele ervaring uit ons leven zal worden. Ook onder mijn koele façade borrelt een zekere onrust. Ik mag hier echter niets van laten merken omdat dit het moreel van mijn bemanning kan schaden. Zij hebben iemand nodig die hen met ijzeren hand in het gareel houdt. Zij weten dat ik van hen opperste concentratie en tweehonderd procent toewijding eis. &lt;br /&gt;Maar één ding is zeker: er staat ons een lange en moeilijke reis door de ijzige Arctische wateren te wachten. Moge God ons behoeden voor de gevaren van de zee!&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;24 augustus 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Onze reis is totnogtoe vlotter verlopen dan verwacht en van de aanvankelijke zenuwen was al lang geen sprake meer. Meermaals hebben wij gefascineerd staan kijken naar de reusachtige walvissen en allerlei prachtige zeevogels die ons al die tijd hebben vergezeld. Bovendien was ik blij om te zien dat mijn mannen naast het harde werk ook de tijd hebben gemaakt om elkaar beter te leren kennen. We waren inmiddels al een hechte groep toen we deze middag de kust van een eiland ten noordwesten van Rusland naderden. Vol bewondering stonden wij te kijken naar het unieke landschap dat een mengeling was van glanzende gletsjers en asgrauwe lavavelden. De vulkanische ondergrond trok een nevel van giftige zwaveldampen over het oostelijke deel van het eiland terwijl de lucht aan de andere kant zuiver en schoon was. Een honderdtal meters voor de westkust heb ik bevel gegeven om het anker uit te gooien. Dit bleek echter een dodelijke vergissing.&lt;br /&gt;Eerst heb ik een deel van de bemanning op verkenning uitgestuurd. Toen zij met zijn achten, verdeeld over twee sloepen, aan wal gingen, stuitten zij op de natuurlijke bewoners van het eiland. Drie nieuwsgierige ijsberen kwamen op mijn mannen afgelopen. De confrontatie werd fataal voor Corneel Houtman, onze timmerman. De zeven andere mannen zijn erin geslaagd de beesten te verjagen en de beer die Corneel verscheurd had, te doden. Omdat de ondergrond van het land bevroren was, hebben zij Corneel begraven in een kloof tussen het ijs. Zijn persoonlijke bezittingen hebben wij verzameld en opgeborgen in een kistje dat we bij onze terugkomst aan zijn nabestaanden zullen geven. De ijsbeer werd aan wal gevild. Zijn pels werd gebruikt om mutsen van te maken en zijn vlees werd versneden om de komende dagen te verorberen. &lt;br /&gt;Het was de eerste van vele loodzware beproevingen die nog zouden volgen. Behalve het feit dat wij een vriend hebben moeten achterlaten, zijn wij nu ook onze timmerman kwijt. Dit heeft vooralsnog geen verstrekkende gevolgen, maar het voorval kan ons bij eventuele schade aan de Dialabrie nog zuur opbreken. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;25 augustus 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Na Corneels tragische dood is er aan boord onenigheid ontstaan over het al dan niet voortzetten van de reis. Een expeditie als deze tot een goed einde brengen zonder timmerman, leek voor enkelen een onmogelijke opdracht. Ik heb me echter strijdvaardig opgesteld en ben vastberaden het ongelukkige ongeval achter ons te laten en de zoektocht naar een doorvaart naar Azië te ontdekken. Hiermee heb ik mij de door angst gevoede woede van enkele bemanningsleden op de hals gehaald, maar uiteindelijk heb ik beslist om verder te gaan. &lt;br /&gt;Eerstdaags zullen wij noordwaarts om de klippen van het eiland varen en de tocht door de ijskoude Arctische wateren onverminderd voortzetten. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;19 november 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Met het voorbijgaan van de weken en maanden worden de temperaturen aan boord alsmaar kouder, het water dat woest tegen de voorsteven beukt alsmaar donkerder. De weersomstandigheden hebben tot nu toe altijd meegezeten, afgezien van enkele kleine stormen die mijn ervaren bemanning probleemloos heeft weten te trotseren. Maar gisterennacht, inmiddels diep in de herfst, werden wij aan een nieuwe beproeving onderworpen. Er hing al enkele dagen een hevig onweer in de lucht en afgelopen nacht is de hel helemaal losgebroken. Alsof de weergoden al hun krachten hadden samengebald om in een keer genadeloos toe te slaan. Ontelbare bliksemschichten die aan het dichtgepakte firmament flikkerden waren de voorbode van een heus onweer. De Dialabrie bevond zich in het oog van de storm en kreeg het ontzettend hard te verduren. Opspattende golven en aanhoudende regen hebben het dek tot bijna een meter onder water gezet. Tot overmaat van ramp zijn enkele zeilen gescheurd en heeft een krachtige windstoot een breuk in de boegspriet gemaakt. Mijn hardwerkende bemanning heeft ternauwernood het kapseizen van de Dialabrie kunnen voorkomen. &lt;br /&gt;Het is de tweede zware tegenslag op enkele maanden tijd. Wij zijn nu overgeleverd aan de stromingen op zee. Inmiddels trachten wij de herstellingen aan het schip uit te voeren, wat bijzonder moeilijk zal zijn nu Corneel niet meer onder ons is. Wij beseffen dat deze nieuwe tegenslag ons einde kan betekenen en wachten bang af waar de stromingen ons naartoe zullen brengen. Aan boord heerst een gevoel van machteloosheid.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;21 november 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Na enkele dagen dobberen over een relatief kalme, maar snel afkoelende oceaan, hebben wij een nieuwe eilandengroep ontdekt die niet vermeld wordt op de kaart van Pieter Reis. Wij zullen hier aanmeren zodat we de nodige herstellingen kunnen doen. Door de afwezigheid van Corneel is het herstellen van de opgelopen schade een lastige opgave die meer dan een week tijd in beslag zal nemen. Bovendien zijn de spanningen opnieuw hoog opgelopen omdat ik, ondanks alle ellende van de afgelopen maanden, besloten heb om de expeditie voort te zetten. Meer en meer mannen plaatsten bedenkingen bij mijn plannen, maar ik blijf vastberaden. Ik ben ervan overtuigd dat wij met Gods wil onze bestemming zullen bereiken.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;28 november 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Op slechts een week tijd zijn de temperaturen rondom het eiland ver onder het vriespunt gezakt. De ijsschotsen in de zee schuiven steeds meer op naar de kust, wat het vertrek van de Dialabrie ongetwijfeld zal bemoeilijken. Ik heb mijn bemanning aangemaand om haast te maken bij de herstellingswerken van onze tweemaster. Morgen zullen wij het vertrek aanvatten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;29 november 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Toen wij deze ochtend wilden vertrekken, bleek het helaas al te laat. Na amper een halve dag varen dreigde de Dialabrie vast te geraken in kruiend ijs dat de ganse zee ontoegankelijk gemaakt heeft. &lt;br /&gt;Er zat maar een ding op, terug aan land gaan en daar overwinteren. &lt;br /&gt;De Arctische winter is aangebroken.&lt;br /&gt;De beslissing was een nieuwe klap voor mijn bemanning. Het betekent dat wij enkele maanden vast zullen zitten op dit rotsachtige eiland dat langzaam maar zeker aan het veranderen is in een barkoude ijsplaat. Gelukkig hebben wij niet ver van onze strandplaats een hele hoop aangespoelde bomen gevonden die vermoedelijk vanuit Siberië met de noordelijke stromingen zijn meegevoerd. Inmiddels verkleumd door de koude hebben wij dankbaar gebruik gemaakt van deze schat door er de fundamenten van een huis uit op te trekken waarin we ons de ganse winter zullen schuilhouden. Als het huis eenmaal af is, zal het ons beschermen tegen de koude. Merkwaardig genoeg zijn er op dit eiland geen ijsberen te bespeuren, waardoor we helaas geen beroep kunnen doen op hun warme vacht en hun voedzaam vlees. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;1 december 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;De nachten van de Arctische winter worden langer en donkerder. Voor het eerst hebben wij gezien hoe het kleurrijke noorderlicht zich aftekent aan de sterrenhemel. Het was betoverend mooi. Het zien van dit prachtige natuurverschijnsel is een mentale opsteker.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;26 december 1596&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Gisteravond hebben wij Kerstmis gevierd. Wij hebben vis met brood gegeten dat Adriaan Vos, onze kok, voor ons had klaargemaakt. Het was een overheerlijke maaltijd. De omstandigheden in acht genomen is het nog een vrolijke avond geworden. De wijn, die ons tot in de vroege uren heeft wakker gehouden, deed ons heel even de ondraaglijke koude en de slinkende proviand vergeten. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;26 januari 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Zonet was ik getuige van de eerste zonsopgang van het nieuwe jaar. Gedurende de afgelopen weken hebben mijn mannen en ik alleen maar een zwarte duisternis gezien. Het ontroerde mij om de eerste lichtbundels aan de kraakwitte horizon te zien ontwaken. De dagen zullen vanaf nu alleen maar langer worden en binnen een maand of twee kan de Dialabrie haar tocht naar Azië voortzetten. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;3 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Aangezien het ijs in de zee rondom het eiland langzaam is beginnen smelten, maken wij ons klaar voor het vertrek. Jacob, mijn eerste stuurman, heeft zich openlijk zorgen gemaakt over de slinkende proviand (de tonnen met bloem geraken zienderogen uitgeput) en heeft er bij mij op aangedrongen om terug te keren naar Amsterdam. Zijn gezin is hem dierbaarder dan het geld en de roem die deze expeditie zal opleveren, vertelde hij mij. Ik ben in woede uitgebarsten en heb zijn verzoek geweigerd. Ik zal deze ontdekkingsreis kost wat kost tot een goed einde brengen. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;4 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Met een snelheid van acht knopen hebben wij koers gezet naar het noordoosten en zo hebben wij de plaats waar wij de winter hebben doorgebracht achter ons gelaten. Naar alle waarschijnlijkheid waren mijn bemanning en ik de eerste mensen die dit eiland ooit hebben aangedaan, hetgeen mij als kapitein van dit schip het recht geeft om het naar mij te noemen. Maar in plaats van het naar mezelf te noemen, zal ik het de naam Alcyon geven, naar de vredige kalmte die tijdens de winter over het eiland gewaakt heeft. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;24 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik merk dat ik mij, gezien de onenigheid met mijn bemanning, gedurende de laatste weken steeds afstandelijker ben gaan gedragen. Vaak isoleer ik me ofwel bij het roer, ofwel in mijn kajuit. Het enige contact dat ik nog met mijn mannen heb is tijdens de schaarse maaltijden en tijdens het uitdelen van bevelen. Ik sta alleen in de opvatting om de expeditie onverminderd voort te zetten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;25 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik kan het onmogelijk verklaren, maar het lijkt wel alsof er iets van mijn geest bezit heeft genomen en met mijn gemoed speelt. Is het iets dat hier in de lucht hangt? Ik merk dat mijn lot en dat van mijn bemanning me langzaamaan onverschillig laat. Zo onverschillig zelfs dat ik apathisch heb toegekeken toen de door scheurbuik gevelde Rafaël mij zijn laatste woorden toesprak. Met zijn laatste adem vroeg hij mij of ik zijn ouders bij de terugkomst in Amsterdam wilde vertellen dat zij geen seconde uit zijn hart waren tijdens deze reis. Ik heb geknikt, maar het viel mij ontzettend zwaar om enig medeleven op te brengen voor de wegkwijnende jongeman. Zijn dood was de zoveelste opdoffer voor mijn bemanning. &lt;br /&gt;Van Rolf Pier, de scheepsarts, heb ik vernomen dat deze nieuwe verwikkeling in wat langzaam maar zeker op een uitzichtloze reis begon te lijken, Jacob ertoe gedreven heeft een stilzwijgend complot tegen mij te smeden. Mijn oude vriend en anders zo loyale stuurman ziet in zijn complot de enige manier om een behouden terugreis naar Amsterdam te bewerkstelligen. Het ergste van al is dat ik begrip kan opbrengen voor zijn daad. Maar ik weiger het om toe te geven.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;26 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ook mijn bemanning is ten prooi gevallen aan de onverklaarbare stemmingswisselingen waar ik al enkele dagen door geteisterd word. Het lijkt er sterk op dat wij een gebied betreden hebben waar de lucht spelletjes speelt met onze geesten. Wij worden niet langer vergezeld van walvisgezang en schreeuwende zeemeeuwen. Ook de vissen in het water waar wij dagelijks onze maaltijden mee bereiden, zijn verdwenen. Al enkele dagen is er geen teken van leven meer te bespeuren. Wij zijn helemaal alleen met de woeste golven die zich uitstrekken tot aan de horizon.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;29 april 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Vandaag was de eerste dag zonder duisternis. Allemaal stonden wij op het dek vol bewondering te staren naar de vurige middernachtzon die haar glinsteringen uitstrooide over de cyaankleurige waterspiegel. In de verte spatten gouden zonnestralen uiteen op de vele blauwe en witte ijskathedralen die uit het water rezen. Het was onbeschrijfelijk mooi. &lt;br /&gt;De Arctische zomer is nu aangebroken en als de Dialabrie de komende maanden aan dit tempo verder blijft varen, zullen we nog voor het jaareinde het Aziatische continent bereiken. Ook al hebben wij nog steeds geen vissen kunnen vangen, de warme zonnestralen hebben de sombere stemming van mijn bemanning voor even doen omslaan in enthousiasme en vastberadenheid.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;2 mei 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Bij het ontwaken deze ochtend ontdekte ik dat de mechanische klok aan boord het niet meer deed. Bovendien was het kompas in de stuurcabine helemaal op hol geslagen. Ik begreep er niets van en ben meteen op zoek gegaan naar Jacob, die zich normaalgesproken over het roer ontfermt wanneer ik slaap. Jacob was echter nergens te bespeuren. Met mijn luide gevloek heb ik de andere bemanningsleden gewekt, maar ook zij hadden geen enkel idee waar Jacob uithing. Tevergeefs zochten wij samen naar onze eerste stuurman. Na (naar schatting) een vol uur zijn wij tot de vaststelling gekomen dat Jacob spoorloos verdwenen was. Op dit moment staan wij voor een groot raadsel. Wij betwijfelen of wij Jacob ooit nog zullen terugzien. &lt;br /&gt;Met deze nieuwe tegenslag is de begeestering van de afgelopen dagen omgeslagen in angst, chaos en paniek. Ondertussen zit ik met mijn handen in het haar naar het klotsende water te kijken. Ik tracht na te denken over hoe ik deze situatie moet aanpakken. Het falen van het kompas maakt dat ik het raden heb naar de plaats waar wij ons nu bevinden. Ik besef maar al te goed dat als ik het nieuws over het kompas aan mijn scheepsmannen moet meedelen, de sfeer aan boord nog verder onder het vriespunt zal duiken. Daarom besluit ik om te zwijgen en mijn intuïtie te volgen. Ik wil kost wat kost het Aziatische continent bereiken. Moge God ons bijstaan!&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;6 mei 1597&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ongelofelijk! Met bevende vingers schrijf ik deze indrukken die hoogstwaarschijnlijk mijn laatste zullen zijn…&lt;br /&gt;De afgelopen dagen heb ik er onbewust voor gezorgd dat wij steeds verder van onze koers zijn afweken en dat de Dialabrie terechtgekomen is in een vreemd gebied dat onttrokken is aan de algemeen op aarde geldende wetten van de natuurkunde. Ik herinner me nog precies hoe ik daarstraks versteld heb staan kijken hoe plots de zee onder de voorsteven vlak werd als een spiegel. Er liep geen enkele golf meer over het water. Toen ik ongeveer een uur geleden de horizon afspeurde, heb ik een groot gapend gat in het water ontdekt. Het gat kon onmogelijk afkomstig geweest zijn van een waterhoos; het maakte namelijk geen kolkende beweging. Bovendien was het al een tijd windstil. &lt;br /&gt;Rolf heeft gezien hoe ik me een ongeluk schrok en me in allerijl naar het roer begaf om het om te gooien, in de ijdele hoop de koers van het onheilspellende gat af te wenden. Het was voor het eerst dat mijn façade van rust en kalmte gesloopt werd door een vlaag van zinsverbijstering. Rolf deed op zijn beurt dezelfde verontrustende ontdekking. Ook hij keek onthutst naar het gat in het water. Daarop heeft hij alle bemanningsleden bij elkaar geschreeuwd en hen op de hoogte gebracht van het gevaar waarin de Dialabrie verkeerde. Ik deed ondertussen hysterische doch vruchteloze pogingen om rechtsomkeer te maken; het gapende gat oefende (en oefent nog steeds) een onverklaarbare aantrekkingskracht uit op mijn reddeloze tweemaster. Dit is een situatie waar zelfs de meest ervaren scheepsmannen wanhopig van worden. Op dit moment kijken wij machteloos toe hoe de Dialabrie afstevent op haar noodlot. Moge God ons bijstaan!&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-style:italic;"&gt;Datum onzeker&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Met gevoelens van rauwe angst en immense verwondering schrijf ik het volgende neer.&lt;br /&gt;Het moment waarop wij de wereld aan de andere kant van het gat in de oceaan betraden, is volledig aan mij voorbij gegaan. Onze laatste collectieve herinnering zijn de doodsangsten die wij hebben uitgestaan toen de Dialabrie het gat naderde. Wat er daarna gebeurde, is een raadsel. Hoe diep zijn wij gevallen? En hoe is het mogelijk dat wij dit hebben overleefd? Zijn wij in een andere dimensie terecht gekomen? Op dit moment hebben wij geen enkel besef meer van tijd noch ruimte. Bovendien lijkt het alsof wij allen in een soort vervoering verkeren die ons belet om terug te keren naar de plaats uit onze laatste herinnering. Het enige waartoe wij op dit ogenblik nog in staat zijn, is het aanschouwen van het nieuwe universum dat in niets gelijkt op de wereld die wij kennen. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Met verkrampte ledematen sta ik nu op het dek, als aan de grond genageld. Mijn hoofd is licht geworden en mijn zintuigen slechts in staat de wonderlijke omgeving te absorberen. Aan de wankele passen van mijn bemanning merk ik dat zij net hetzelfde ervaren.&lt;br /&gt;Ik merk als eerste hoe de Dialabrie zich in een roerloze zee van zilverkleurige schitteringen bevindt en sta werkelijk versteld van de heldere weerkaatsing van twee purperen hemellichamen die doen denken aan de maan. Met hun diffuse gloed werpen ze een onnatuurlijk licht op de omgeving rondom het schip. Voor ons strekt zich een landschap (voor zover deze aardse term hier van toepassing is) uit van fonkelende piramiden, bollen, kubussen en trapezia die allemaal met elkaar verbonden zijn door spiraalvormige bruggen. Ze dansen elk in hun eigen ritme boven het wateroppervlak en doen dit zo gezwind, dat ze het licht van de reusachtige manen naar alle uithoeken van de kosmos rondom ons weerkaatsen. Ik kan alleen maar gissen waar deze illustere bouwwerken vandaan komen of wat ze moeten voorstellen. Ze staan in een dergelijk patroon tegenover elkaar opgesteld dat doet denken aan gebouwen in een stad, maar hun onwaarschijnlijke aard en het feit dat ze constant in beweging zijn maakt dit idee onmogelijk om te bevatten. &lt;br /&gt;Rolf wijst me nu op het dak van de nieuwe wereld waar zich sluimerende nevels in allerlei felle, glanzende kleuren ophouden. Pas wanneer wij er na enkele minuten in slagen om onze blik van deze lichtbakens af te wenden, trekken talrijke metaalachtige planten die sierlijk uit het water kronkelen – want daar doet hun organische vorm ons aan denken – onze aandacht. Dat dit alles met een wiskundige precisie weerspiegeld wordt in het serene wateroppervlak, is als een schilderij van Gods hand. &lt;br /&gt;Gedurende een lange tijd doen mijn bemanning en ik niets anders dan bewegingsloos naar dit kunstmatige paradijs staren. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zonet zag ik hoe deze voor het eerst (?) door mensen bezochte wereld in minder dan een seconde in een inktzwarte waas transformeerde, alsof iemand plots een olielamp doofde. De duisternis omsingelt het schip nu met een door ons nooit eerder waargenomen koude. De koude is zelfs zo hevig, dat geen aards wezen deze marteling normaalgesproken zou overleven. Maar blijkbaar gelden hier andere natuurkundige wetten, want hoewel deze temperaturen ondraaglijk zijn, blijken ze niet dodelijk. Ze bezorgen mij enkel vreselijke pijnscheuten ter hoogte van mijn hersenen. Het wordt steeds moeilijker voor mij om te schrijven, bovendien begin ik aan waanvoorstellingen te lijden. Er zit maar een ding op: we moeten, nu het nog kan, naar binnen om ons te beschermen tegen die plotse temperatuurswisseling. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Met veel moeite heb ik mij over het houten dek voortgesleept en ben ik afgedaald in de buik van het schip. De vrieskou heeft mij intussen bijna volledig verlamd. Ik ben nauwelijks bij machte om te spreken of te bewegen. Tot mijn verbijstering slaag ik er wel in om via gedachten met mijn bemanning te communiceren, waarbij mijn mannen nadrukkelijk hun wens uiten om deze plaats zo snel mogelijk te verlaten. Ik vrees dat hun hoop ijdel is. Bij mij groeit het besef dat wij nooit meer zullen terugkeren naar de wereld waar wij vandaan komen. Nooit zullen wij het Aziatische continent bereiken.&lt;br /&gt;Het enige wat ik op dit moment nog voel is pijn. Mijn vingers zijn… &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ik ben zopas ontwaakt. Meteen ben ik op het dek gekropen. Mijn hoofdpijn is gelukkig verdwenen en de verlamming lijkt uitgewerkt. Vreemd genoeg heb ik geen dorst of honger. Het is me een raadsel wanneer ik voor het laatst gedronken of gegeten heb. &lt;br /&gt;Na de schemerloze duisternis van daarstraks, ontvouwt zich opnieuw het prachtige landschap dat wij aanvankelijk zagen. Is het opnieuw zichtbaar worden van de zilveren zee, de kolossale manen, de planten en de geometrische stad, het equivalent van een aardse zonsopgang? &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ik heb zojuist in de stuurhut een nieuwe poging ondernomen om onze koers bij te sturen, op zoek naar het gat waarlangs we kunnen terugkeren naar onze wereld. Helaas, wat ik ook probeer, niets lukt. Wij kunnen slechts van op een afstand toekijken hoe de dansende stad schittert in het paarse maanlicht. Het heeft er alle schijn naar dat de Dialabrie in handen is van bovennatuurlijke krachten. Mijn mannen, die ondertussen zijn opgestaan, hebben eveneens tevergeefs met man en macht gepoogd om enige invloed uit te oefenen op onze koers. Een beklemmend gevoel van eenzaamheid maakt zich van mij meester; eenzaamheid en angst voor het einde dat ik met elke seconde voelen naderen.&lt;br /&gt;Ik berust nu in mijn lot en breng mijn laatste (?) ogenblikken door op het dek. Er rest mij niets anders dan bidden tot God en het aanschouwen van de wondere wereld die meer dan waarschijnlijk onze eindbestemming zal zijn. Voor de zoveelste keer bestudeer ik de dansende stad in de zilveren zee. Met ontzag stel ik vast dat haar bewegingspatroon wiskundig bepaald is, als een ingewikkelde cyclus die zich keer op keer herhaalt. Dit kan geen toeval zijn. Dit moet het werk zijn van een hogere aanwezigheid die de stad bespeelt als een poppenmaker. &lt;br /&gt;Ik speur de stad, de ijle lucht, de zee en de eindeloze horizon af naar een teken van leven. Hoewel alles voortdurend in beweging is, behalve mijn ooit glorieuze tweemaster diens zeilen slap hangen, is er geen leven te bekennen. Het is een kwestie van tijd, denk ik. Vroeg of laat zullen de stichters van deze stad zich aan ons kenbaar maken. En als dat moment aanbreekt, vraag ik me af, in hoeverre zullen zij dan verschillen van ons, mensen? Die vraag houdt me nog meer bezig dan de vraag of zij vijandig zijn.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De nacht is opnieuw gevallen, koud en meedogenloos. Voor de tweede keer zijn mijn bemanning en ik geschrokken van de plotse omschakeling die slechts een fractie van een seconde duurde. De omgeving is veranderd in een zwart niets en net als vorige nacht word ik getroffen door onuitstaanbare hersenpijnen. Ik besef dat ik zo snel mogelijk beneden dek moet gaan, maar dit keer zijn mijn botten zodanig bevroren en mijn spieren zodanig verhard, dat bewegen bijna onmogelijk is. Zelfs het schrijven van dit bovennatuurlijk relaas vergt mij mijn laatste krachten. Bovendien lijken de waanvoorstellingen in mijn geest zich steeds meer te manifesteren. Mijn bemanning en ik zijn gedoemd om aan dek te lijden tot aan de verlossende zonsopgang; of, wie weet, tot de dood.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Eindelijk wordt de duisternis gedeeltelijk doorbroken door een zwerm vage lichtvlekken die opdoemen in de stad. Het is nog steeds erg donker, maar de nacht is niet langer schemerloos, niet langer onuitstaanbaar koud. De lichtvlekken die uit de dansende gebouwen naar buiten kruipen, komen dichter. Ze naderen tot op enkele honderden meters van de Dialabrie en brengen een rustgevende warmte met zich mee.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Allemachtig, het zijn levende wezens! Ik kijk angstig maar tegelijkertijd nieuwsgierig toe. Dit is onwaarschijnlijk! Honderden vragen liggen op mijn versteende tong, maar slechts één vraag is op dit moment van belang: zijn zij vijandelijk? &lt;br /&gt;Hun adembenemende schoonheid verdringt voor even deze doemgedachte. De wezens lijken in niets op het leven dat op aarde voorkomt. Het lijken wel entiteiten van vloeibaar licht, gewrocht uit de meest bizarre anatomieën. Nog nooit heb ik zo’n diversiteit aan kleuren, vormen en structuren gezien. Sommige wezens lijken op spiralen van violet licht en fladderen frivool op en neer als pasgeboren vlinders. Anderen zijn cilindervormig en transparant, en zwemmen als alen door de nacht. Nog andere wezens, zich voortbewegend in paraboolachtige curven, zijn opgebouwd uit de meest complexe kleurenmozaïeken. &lt;br /&gt;Sommige van hen verdwijnen plots, als vallende sterren in de nacht, anderen komen alsmaar dichter bij de Dialabrie. Zij die het schip halen, dompelen het onder in hun hypnotiserende gezoem en gefluit. Hun muziek, hoewel buitenissig, klinkt hemels, als een harmonie die gemaakt is om het gigantische universum in slaap te wiegen. &lt;br /&gt;Ik kijk hulpeloos en verlamd toe hoe de etherische wezens aan boord komen. Ik voel hoe ze in grote aantallen over mijn verstard lichaam kronkelen. Opnieuw vraag ik mij af of zij vijandelijk zijn. Deze vraag en tientallen anderen branden op mijn tong, maar allen blijven ze onbeantwoord. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Allemachtig! De wezens dringen bij me naar binnen, zoals een parasiet dat bij zijn gastheer doet. Ze wurmen zich door de flinterdunne banen onder mijn huid, door mijn ruggengraat, recht naar mijn hoofd. Ik voel hoe ze bezit nemen van mijn hersenen en zenuwstelsel en alle energie uit mijn lichaam zuigen. Mijn hart, dat net nog bonsde in mijn keel, slaat steeds minder, steeds zachter. De lucht die ik inadem wordt met de seconde ijler. Waar zijn deze wezens in hemelsnaam op uit?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ik wil kost wat kost deze hoogst merkwaardige gebeurtenissen aan de vinder van mijn dagboek overleveren. Met mijn allerlaatste levenskrachten schrijf ik volgende indrukken neer.&lt;br /&gt;Waar de wezens op uit zijn, is ondertussen duidelijk: mijn dood en die van mijn bemanning. Me afvragen waarom heeft geen zin; deze wereld levert immers geen antwoorden, op geen enkele vraag. Deze wereld is zelf één grote vraag. Ik kan alleen maar bidden tot God opdat mijn overgang naar het hiernamaals snel en pijnloos zal zijn. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;…&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vreemd genoeg blijkt mijn vrees voor een pijnlijke dood ongegrond. Integendeel, de tintelingen die de wezens in mijn lichaam veroorzaken voelen aan als goddelijke strelingen; als een orgasme dat zich uitstrekt van de haren op mijn hoofd tot in het centrum van mijn zenuwbanen. Dit is met voorsprong het aangenaamste gevoel dat ik ooit heb mogen gewaarworden! &lt;br /&gt;Aan de euforische blikken van mijn bemanningsleden te zien, ervaren zij hetzelfde gelukzalige gevoel. Het enige dat ik bij het ondergaan van dit bovennatuurlijke carnaval nog voel, is diepe ontroering en intens geluk. Ik voel geen angst meer nu. &lt;br /&gt;De stichters van deze stad zijn een exponent van God. Hun aanraking voelt als een omhelzing met de Hemel. De ontdekking van dit universum is een zoveel mooiere beloning dan het vinden van een noordelijke doorvaart naar Azië. Hier sterven is het mooiste geschenk dat een ontdekkingsreiziger zich kan wensen.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-3765170575576768624?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/3765170575576768624/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/08/terra-incognita.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/3765170575576768624'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/3765170575576768624'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/08/terra-incognita.html' title='Terra Incognita'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-7932943717122449861</id><published>2011-06-24T20:48:00.000+02:00</published><updated>2011-06-24T20:49:03.975+02:00</updated><title type='text'>De steen van zwart</title><content type='html'>Niet lang geleden las ik een artikel over de ontdekking van een zwarte massieve steen, in het meest zuidelijke punt van Antarctica. Een grote kolonie pinguïns had zich al enkele dagen lang instinctief rond de steen verzameld. Het was alsof ze door een bovennatuurlijke kracht gehypnotiseerd werden en steeds terugkeerden naar de steen en hem voor de buitenwereld afschermden zoals zij dat met hun jongen doen. Enkele verdwaalde expeditieleden die ter plaatse onderzoek voerden naar de klimaatsveranderingen hadden het vreemde gedrag van de pinguïns opgemerkt. Gevangen in het desolate ijscontinent en terend op hun laatste krachten, besloten zij de plaats te onderzoeken. Toen zij na verwoede pogingen om de pinguïns te verjagen voor het eerst een glimp opvingen van de steen, waren zij onmiddellijk in de ban van zijn magische zwarte glans. Zij stonden perplex van hun ontdekking. &lt;br /&gt;Kort daarna stootten de expeditieleden op het lijk van een roodharige man dat niet ver bij de steen vandaan lag. Dat het vastgevroren was in het ijs aan de oppervlakte en nog niet ondergesneeuwd was, wees erop dat het er hoogstens een paar dagen kon liggen. De koude had het lichaam goed geconserveerd. Desondanks kon men het tot op heden niet identificeren. &lt;br /&gt;De steen, die niet groter was dan een half mensenlichaam, was samengesteld uit een op aarde onbekende stof die het ene moment amorf en het andere moment vloeibaar was. Bovendien – en dit maakte de vondst nog spectaculairder – bevatte de steen vreemdsoortige inscripties die aan geen enkele andere tekens of symbolen op aarde verwant waren. Een resem sterfgevallen van zij die in contact kwamen met de steen bemoeilijkt het onderzoek dat wetenschappers, archeologen, historici en taalkundigen op dit moment voeren. Met vrees voor hun leven, maar gedreven door passie en nieuwsgierigheid, leggen zij zich toe op het ontcijferen van de tekens die, volgens hen, doelbewust en dermate gestructureerd in de steen zijn aangebracht dat niet van toeval gesproken kan worden. Volgens officieuze bronnen zouden ze zelfs zo uniek en gedetailleerd zijn in hun ontwerp, dat met de vraag of de steen afkomstig is van een menselijke beschaving, geen rekening werd gehouden. &lt;br /&gt;Deze onwaarschijnlijke ontdekking deed me ogenblikkelijk terugdenken aan een huiveringwekkende gebeurtenis waarvan ik lang geleden getuige ben geweest, en die me tweeëntwintig jaar na datum nog steeds koude rillingen en angstdromen bezorgt. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ik woonde toen nog in Everett, een wijk in Boston, in een groot, oud huis waar ik op het gelijkvloers een succesvolle dokterspraktijk had. Op de andere verdiepingen waren verschillende leegstaande kamers waarvan ik er vijf verhuurde aan studenten. In al die jaren heb ik meer dan honderd studenten een dak boven het hoofd geboden, de meesten zou ik niet eens meer herkennen, maar een van hen zal ik nooit vergeten: William Fitzsimmons en dat vuurrode haar van hem. &lt;br /&gt;Het was in het jaar 1987. William studeerde aan de faculteit Natuurwetenschappen. Alles bij elkaar zou hij vijf jaar bij mij verblijven, net zolang tot zijn studies ten einde zouden lopen. Ik heb altijd aangevoeld dat hij een bijzonder iemand was, anders dan al mijn andere gasten, ook al heb ik nooit de gelegenheid gehad om hem écht te leren kennen. Daarvoor was hij te teruggetrokken, te zwijgzaam. Hij was niet timide, maar bezat een weloverwogen afkeer voor diepgaand menselijk contact. &lt;br /&gt;William ging niet vaak naar de lessen, maar ik herinner me nog heel precies hoe hij tijdens zijn eerste twee studiejaren, het ganse jaar door, elke woensdag, zonder één week over te slaan, de universiteitsbibliotheek bezocht en terugkwam met een stapel boeken waar elk normaal mens enkele maanden tijd voor nodig had om ze te lezen. Maar William niet. Hij verslond ze alsof het tijdschriften waren. &lt;br /&gt;William was geobsedeerd door alles wat met de kosmos en de plaats van onze planeet daarin te maken had. De boeken die hij uit de bibliotheek meenam handelden alleen maar daarover. Soms vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat er zoveel lectuur over dit onderwerp bestond.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tijdens de eerste twee jaren van Williams verblijf verliep alles heel normaal. Ook al ging hij amper naar de lessen, ik had de indruk dat hij zijn studies serieus nam, zij het dan op zijn eigen eigenzinnige manier. Hij zat immers dag in dag uit, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat, te studeren en te lezen op zijn kamer en naar eigen zeggen had hij weinig moeite met het afleggen van de eindexamens. Het verwonderde mij dan ook niet dat hij twee jaar op rij zonder veel moeite geslaagd was. &lt;br /&gt;Pas toen William in het derde jaar zat, zijn de problemen begonnen. Althans, dan zijn ze voor mij en de andere studenten die in mijn huis vertoefden zichtbaar geworden. Zijn wekelijkse bezoeken aan de bibliotheek waren plots opgehouden en ons onderling contact, dat überhaupt al heel erg oppervlakkig was, verdween volledig. Hij verliet nog zelden zijn kamer en als hij dat al deed, dan was het in het holst van de nacht, wanneer er geen levende ziel meer te bespeuren viel in de straten van Everett. Na enkele weken had ik eens een poging ondernomen om hem tijdens een van zijn nachtelijke uitstappen te onderscheppen. Ik had hem beneden in de trappenhal opgewacht. Hij leek amper verbaasd wanneer ik plots het licht aanstak toen hij het huis wou verlaten. Op zijn grimas viel een duidelijke fysieke en mentale aftakeling af te lezen. Ik wilde hem vragen wat er aan de hand was, of hij misschien problemen had met zijn studies, of met iets anders. Hij heeft me toen van achter zijn stoffige brilglazen aangekeken met een ondoordringbare blik, alsof hij in een andere wereld vertoefde, een wereld losgerukt van de realiteit waarin u en ik onze dagen slijten. Dan is hij me voorbijgelopen zonder iets te zeggen, de duisternis in. Toen heb ik maar besloten om het te laten varen. Hij was immers een goede huurder, betaalde altijd op tijd en zorgde nooit voor overlast, dus had ik geen enkele reden om hem eruit te gooien.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Pas toen de andere studenten enkele weken later over Williams vreemde gedrag gingen klagen, zag ik mezelf genoodzaakt om hem opnieuw te benaderen, zij het met veel tegenzin. Ik bemoeide me liever niet met andermans zaken. Het was tijdens de strenge winter van 1989. Wegens aanhoudende sneeuwstormen brachten mijn huurders en ik de dagen noodgedwongen binnen door, bij de warmte van het haardvuur. Gelijktijdig met het opsteken van de eerste sneeuwstormen, veranderde de sfeer in huis. &lt;br /&gt;De studenten die recht en schuin onder William een kamer huurden kwamen bij mij klagen over het feit dat ze slapeloze nachten overhielden aan het aanhoudende getik dat uit zijn kamer afkomstig was en met vaste regelmaat door de plaastermuren vibreerde. Het getik hield nooit op zeiden ze, dag of nacht, alsof er in de kamer een overijverige student maniakaal op zijn schrijfmachine zat te tokkelen om tijdig zijn eindwerk af te krijgen. Ikzelf heb er logischerwijs nooit hinder van ondervonden, omdat ik destijds op het gelijkvloers sliep, maar ik achtte het nodig om in te grijpen alvorens de problemen zouden escaleren. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Op 14 december ondernam ik een eerste poging om met William te gaan praten over de overlast die hij veroorzaakte. Zelf kwam ik bijna nooit hoger dan het gelijkvloers waar ik woonde, tenzij om, als men mij dat vroeg, eventuele schade aan radiatoren en sanitair te bekijken alvorens herstellingswerken uit te voeren. De treden van de eikenhouten trap kraakten onder mijn voeten toen ik vastberaden, maar enigszins zenuwachtig en bang afwachtend voor de confrontatie met William, naar de zolderverdieping klom. De hard waaiende wind had enkele voegen gevonden in de oude muren en was de trappenhal binnengedrongen. Er klonk een ritmische symfonie. Hoe hoger ik klom, des te onheilspellender de symfonie ging klinken en des te meer ik de koude die uit Williams zolderkamer afkomstig was gewaar werd. Het leek er nog kouder dan buiten. Pas toen ik op een meter van zijn deur stond, besefte ik dat de ijzige tocht die door de trappenhal waaide, afkomstig was uit zijn kamer. Via de kieren drong de tocht de rest van het huis binnen. Ik hoorde toen ook voor het eerst dat regelmatige getik waarover de andere studenten mij hadden aangesproken. Het was duidelijk hoorbaar, maar klonk niet overdreven luid. Het was vooral het aanhoudende, hypnotiserende ritme dat na verloop van tijd door merg en been begon te snijden. Ook al had ik er slechts twee minuten naar staan luisteren, ik kon me op dat moment perfect inbeelden dat het getik verantwoordelijk was voor de slapeloze nachten van mijn huurders.&lt;br /&gt;Na enige tijd klopte ik op de deur, maar er kwam geen antwoord. Ik klopte nogmaals, dit keer wat harder en kordater. Weer kwam er geen antwoord. Ik aarzelde even of ik William zou roepen, maar besloot dan om terug naar beneden te gaan en hem een brief te schrijven die ik later die dag onder de deur zou schuiven. Iets in mij zei dat deze oplossing beter was dan een directe confrontatie, al was het maar omdat het mij aan het nodige lef ontbrak.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het kostte me een halve dag om de juiste woorden te vinden voor de brief. Tegen de avond trok ik opnieuw de trappen op, op weg naar de zolderkamer, in de hoop dat William na het lezen van de brief wat zou doen aan dat constante getik waardoor zijn onderburen zo geplaagd werden. Bij het naderen van de zolderverdieping werd ik, net zoals eerder die dag, bevangen door ijskoude lucht die uit zijn kamer stroomde. De koude drong door tot in het diepst van mijn beenderen en zorgde ervoor dat ik met veel pijn en moeite de laatste treden besteeg. In die korte tijd waren mijn vingers zo verkleumd geraakt, dat ik er zelfs niet meer in slaagde om de brief die ik aan William geschreven had, uit de zak van mijn vest te halen. Eenmaal ik voor Williams kamerdeur stond, merkte ik hoe mijn eigen schaduw zich aftekende tegen een diffuus violet licht dat via de kieren naar buiten drong. Ook het sleutelgat werd opgelicht door die onaardse schijn. Opnieuw hoorde ik dat vervelende getik dat nog altijd even onverbiddelijk bezit nam van de zolderkamer. De vreemde taferelen die zich achter de deur leken af te spelen maakten dat ik, in plaats van de brief achter te laten en terug naar beneden te keren, mij bukte om door het sleutelgat te gluren. Nooit eerder had ik mij verlaagd tot zo een daad, maar door de omstandigheden was mijn verstand zo bedwelmd dat ik niet meer aan die drang kon weerstaan. De koude, het licht en dat aanhoudende getik waren slechts een fractie van het surrealistische spektakel dat zich in Williams zolderkamer afspeelde. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Middenin kleurrijke, fluorescerende nevels en diepe afgronden van inktzwarte duisternis die hem genadeloos omsingelden, stond hij als een bezeten beeldhouwer, koortsachtig te beitelen aan een grote zwarte steen die zich in het midden van de kamer bevond. Het leek alsof zijn zolderkamer voor even verworden was tot het epicentrum van de uitgestrekte kosmos, waar zich onmeetbare en voor een aardbewoner onvoorstelbare krachten roerden. William zelf scheen zich niet te vergewissen van al het onheil waarvan hij het doelwit was geworden; integendeel, zijn aandacht ging volledig naar de zwarte steen waarin hij met uiterste nauwkeurigheid vreemde geometrische symbolen stond te graveren. De symbolen hadden voor mij geen enkele betekenis. Als het al een taal was, dan was ze zeker niet van onze planeet afkomstig. Het was een taal die alleen William scheen te beheersen, al had ik in al mijn angst en verwondering de indruk dat niet hij, maar een hogere kracht die bezit had genomen van zijn lichaam, hem dit kosmische kunstwerk deed creëren. Meer dan een uur lang heb ik roerloos naar dit indrukwekkende schouwspel staan staren om uiteindelijk, overladen met verbijstering en ontzag, terug te keren naar mijn woonkamer op het gelijkvloers om me er op te warmen bij het haardvuur. Ik heb toen overwogen om diezelfde avond nog naar de politie te gaan, maar gezien de curieuze aard van de gebeurtenissen was de kans dat men mij serieus zou nemen onbestaande. Als vooraanstaand arts had ik immers een reputatie hoog te houden. Bovendien begon ik na het aanschouwen van dit bovennatuurlijke spektakel zodanig aan de betrouwbaarheid van mijn eigen zintuigen te twijfelen, dat ik tegen beter weten in besloten heb om te gaan slapen, of dat althans te proberen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De ganse nacht heb ik wakker gelegen, deels geteisterd door angst voor de onmetelijke krachten die zich in mijn huis schuilhielden, deels uitgelaten over de gebeurtenissen en hunkerend naar een luisterend oor dat mijn fantastische relaas zou toehoren. &lt;br /&gt;Toen ik ’s morgens, samen met de ongelovige studenten aan wie ik mijn verhaal verteld had, naar de zolderkamer ging kijken of de krachten die zich er de avond ervoor hadden geroerd nog steeds aan het werk waren, zag ik dat Williams kamerdeur wagenwijd open stond. Binnenin de kamer was het leeg en kaal. De onuitstaanbare koude en het getik waren verdwenen. Er stonden geen meubels, boeken of persoonlijke spullen meer. Zelfs het bed was weg. Van William zelf was geen enkel spoor te bekennen. Ook hij was weg. Verdwenen.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-7932943717122449861?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/7932943717122449861/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/06/de-steen-van-zwart.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/7932943717122449861'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/7932943717122449861'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/06/de-steen-van-zwart.html' title='De steen van zwart'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-5278246417755154531.post-8106778894649819160</id><published>2011-06-24T20:45:00.001+02:00</published><updated>2011-06-24T20:47:33.616+02:00</updated><title type='text'>Karikarubu</title><content type='html'>Het was een bloedhete namiddag in augustus. Al zeven jaar lang zat Benjamin samen met enkele van zijn trouwe soldaten vast in het strafkamp van Elsiboth, een woestijndorpje waar sinds mensenheugenis zwoele zandstormen en brandende zonnestralen regeerden. Hij was het zwoegen op de zandvlakte meer dan beu. Na al die jaren in het strafkamp had hij een bloedhekel gekregen aan de ketting rond zijn enkel en aan zijn vermoeiende dagtaak. Rotsen aan puin slaan was geen werk voor een idealist zoals hij. &lt;br /&gt;‘Benjamin, gooi dat houweel even aan de kant!’&lt;br /&gt;Het was dokter Heinze. Benjamin zag hoe de oude man hem van boven zijn te kleine zonnebril aankeek. Hij klauterde door het zand naar diens jeep, net zover tot de ketting om zijn enkel strak gespannen stond. Met een nonchalante armbeweging klopte hij het stof van zijn hoed en stak zijn hoofd door het raampje naar binnen. &lt;br /&gt;‘Airco, jij gelukzak.’&lt;br /&gt;‘Hier pak aan,’ zei Heinze, en hij gaf Benjamin een bekertje ijskoud water. &lt;br /&gt;In tegenstelling tot de gevangenisbewakers van Elsiboth stroomde er door Dokter Heinze’s aders nog een druppeltje menslievendheid. Zolang Benjamin door hem in bescherming genomen werd, had hij weinig te vrezen. Hij had geen last van  de bewakers, of de varkens, zoals de gevangenen hen noemden. Hij bleef gespaard van hun dagelijkse routine van mishandeling, zeker nu ze zich al een tijdje gedeisd hielden wegens de recente zelfmoord van Percy Ludik. &lt;br /&gt;‘Hoe voel je je vandaag, jongen?’&lt;br /&gt;Benjamin beantwoordde Heinze’s bezorgdheid met een zucht. Hij voelde zich ellendig, net zoals de voorbije dagen, weken, maanden en jaren. Ook al was hij een harde, hij besefte maar al te goed dat een ticket naar het strafkamp van Elsiboth slechts enkel was. &lt;br /&gt;‘Hoe lang zit je hier nu al?’&lt;br /&gt;‘Zes jaar, elf maanden en dertien dagen, meneer.’ &lt;br /&gt;Benjamin had de tel bijgehouden door streepjes in de kalkmuur van zijn cel te kerven. In al die jaren had hij er niet eentje overgeslagen.&lt;br /&gt;‘En hoe lang moet je nog?’&lt;br /&gt;‘Tot ik sterf…’&lt;br /&gt;‘Luister Benjamin, het hoeft voor jou niet zo slecht af te lopen als voor de anderen, of als voor arme Percy.’&lt;br /&gt;‘Wat bedoel je precies?’&lt;br /&gt;‘Ik weet misschien een manier om je hier weg te krijgen.’&lt;br /&gt;  ‘Waar heb je het over?’ vroeg Benjamin nieuwsgierig. Zijn hart sloeg over van opwinding. &lt;br /&gt;‘Straks na het avondmaal. Ik zal je opwachten bij het buitengaan van de eetzaal. Nu moet ik gaan.’ &lt;br /&gt;De Jeep van Heinze sneed door het zand en liet Benjamin achter in een droge stofwolk. Kuchend strompelde hij terug naar de steengroeve waar hij het werk hervatte, maar de woorden van Heinze hadden ervoor gezorgd dat hij zich nog moeilijk kon concentreren. Het harmonieuze ritme van de pikhouwelen klonk als een galmende gong in zijn hoofd. Het duurde niet lang of Seydlitz, de gevreesde bewaker van vleugel B, kreeg zijn getalm in de gaten. Benjamin zag de kale knikker in zijn richting draaien, alsof hij een dirigent was die bij de minste verstoring van zijn orkest de falende muzikant op de vingers wilde tikken. Zijn wangen liepen rood aan van woede. &lt;br /&gt;Benjamin durfde het aan om hem in de ogen te kijken. Hij verwachtte een scheldtirade, maar die bleef uit. Zijn goede verstandhouding met de hoger geplaatste dokter Heinze kwam hem eens te meer van pas. Seydlitz richtte zijn woede op een andere gevangene door hem toe te schreeuwen dat zijn ritme de hoogte in moest.&lt;br /&gt;Om klokslag vijf uur werden de afgepeigerde gevangenen door de grijnzende Seydlitz de steengroeve uitgeleid. Allemaal gingen ze aan boord van de gammele vrachtwagen die hen met ronkende motor bovenop een duin stond op te wachten. Met trage halen gleed het vehikel door het zand over de duinen. Na twintig minuten door elkaar geschud te worden in de laadbak, kwamen ze aan bij de vleugel B van het gevangenisgebouw. &lt;br /&gt;Benjamin kneep zijn ogen toe voor de weerkaatsing van de zon op de pas gewitte muren. Omdat Elsiboth aan het begin van de volgende maand belangrijk bezoek kreeg uit de naburige landen, was men het gevangeniscomplex aan het opknappen. Een delegatie van wereldverbeteraars wilde de toestand van de gevangenissen inspecteren. Bij eventuele onregelmatigheden konden economische en politieke sancties wel eens de consequentie zijn; consequenties die Swartbooi, al meer dan twintig jaar directeur van Elsiboth, kost wat kost wilde vermijden. Hem kennende had hij al een hoop mooie praatjes voorzien om de gezanten uit het buurland mee in te pakken. De witte muren zouden de rest wel doen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Terwijl hij in de bedrukte refter zat, spookten de woorden van Heinze de hele tijd door Benjamins hoofd. Hij kreeg geen hap naar binnen, ook al had hij honger als een paard. Hij gaf zijn maaltijd weg aan Djimoun. De gespierde reus bedankte hem hiervoor en begon meteen te peuzelen aan de bout van een of ander dier. Alleen zijn glas water hield Benjamin voor zichzelf. Hij dronk het tot de bodem leeg met kleine slokjes die hij regelmatig onderbrak met een rusteloze blik die door de eetzaal dwaalde; van de muren naar de tafels, van zijn gulzige medegevangenen naar de grijnzende bewakers, tot een van hen met een bel rammelde. &lt;br /&gt;Het avondmaal zat erop. Alle gevangenen legden hun bestek neer en stonden op. Een oude man die over Benjamin zat propte nog snel wat rijstkorrels achter zijn tanden en werd daarvoor bestraft met een flinke oorvijg. Meteen daarop ontstond er herrie in de eetzaal. Er werd geduwd en getrokken, geroepen en gescholden. Benjamin hield zich afzijdig. Hij wachtte tot de herrie voorbij was en er rijen gevormd werden om naar buiten te gaan. Toen de rust eindelijk terugkeerde, slaagde hij erin om over de hoofden van de gevangenen naar de uitgang van de eetzaal te kijken. In het deurgat herkende hij de getrimde grijze haren van dokter Heinze. Ze blonken in het felle licht van de avondzon die door de verschillende venstergaten naar binnen scheen. Naast hem stond Shivute, een bewaker die nog maar enkele weken in dienst was. &lt;br /&gt;Van de andere gevangenen had Benjamin gehoord dat Shivute degene was die in zijn eerste week het lijk van Percy Ludik gevonden had. Het was op een bloedhete ochtend. De nacht had amper verkoeling gebracht en het betonnen gevangenisgebouw kreunde onder de hitte. Tijdens Shivute’s ochtendronde ontbrak Percy op het appel. Volgens de geruchten had hij een oorverdovende gil geslaakt toen hij door de tralies naar binnen gluurde; de gil van een groentje dat voor het eerst een dode ziet. In de muffe cel lag een ineengekrompen lap vlees waaruit al het leven weggetrokken was. Al snel werd er gefluisterd dat Percy zichzelf had opgehangen met een reep stof die hij van zijn lakens had afgescheurd. Hij had hem naar het schijnt zo strak rond zijn nek gebonden, dat zijn gezicht er blauw van geworden was. Het was duidelijk: eenmaal je in Elsiboth kwam, was je leven voorbij, en tegen die wetenschap was de piepjonge Percy duidelijk niet opgewassen. &lt;br /&gt;        Benjamin liep naar het deurgat waar dokter Heinze die zenuwachtig heen en weer liep. &lt;br /&gt;‘Dokter?’ &lt;br /&gt;Benjamin keek naar Heinze en dan naar Shivute. Die laatste nam een paar handboeien uit zijn gordel en deed ze rond zijn polsen. Daarna werd hij door de gangen van het gebouw geloodst, gevolgd door Heinze. Ze hielden halt bij het kantoor van directeur Swartbooi. Benjamin was er in al zijn tijd in Elsiboth welgeteld één keer geweest, namelijk bij zijn aankomst. Hij had toen van Swartbooi in hoogsteigen persoon te horen gekregen dat binnen de muren van Elsiboth andere wetten golden dan daarbuiten. Wat dat precies betekende, zou hij nog wel ondervinden, zo had de directeur hem toegesnauwd. &lt;br /&gt;Heinze klopte tweemaal kort op de deur.&lt;br /&gt;‘Kom binnen,’ gebood een hese stem.&lt;br /&gt;Swartbooi zat achter een mahoniehouten bureau met een kop koffie. Zijn kantoor was in al die jaren geen haar veranderd. Het was er nog even proper en ordelijk als bij Benjamins eerste bezoek. Nergens lagen rondslingerende documenten of was er een stofvlok te bespeuren. Op enkele foto’s die aan de muur hingen na, was het interieur kaal. Een foto van Swartbooi met een reusachtige slagtand in zijn armen had de voornaamste plaats in zijn kantoor gekregen: aan de muur achter het bureau. &lt;br /&gt;Swartbooi knikte naar Shivute waarop die Benjamins boeien losmaakte en het kantoor verliet. Heinze nam plaats op een van de stoelen aan het bureau, Benjamin bleef rechtop staan.&lt;br /&gt;‘Benjamin.’&lt;br /&gt;‘Ja, meneer?’ &lt;br /&gt;‘Als ik Heinze mag geloven, kijken de andere gevangenen naar je op. Is dat zo?’ Nog voor Benjamin kon antwoorden ging hij verder. ‘Luister, je verleden interesseert me geen zier. Ik heb je naar hier geroepen omdat ik een opdracht voor je heb.’&lt;br /&gt;       Benjamin wist maar al te goed dat Swartbooi uitstekend op de hoogte was van zijn criminele verleden. Net zoals bij de andere gevangenen had hij het waarschijnlijk als een ijverige student uit het hoofd geleerd. Hij durfde er vergif op in te nemen dat de datum van zijn laatste wapenfeit als rebellenleider, het opblazen van een boorplatform nabij de kust van zijn geboortedorp, in kleur gemarkeerd was in zijn dossier. De aanslag was Benjamins antwoord op de toenemende oliekoorts, het kapitalistische venijn waar de rijken van profiteerden en waar zijn dorpsgenoten het slachtoffer van waren. Toch had al het menselijk leed hem slechts half zoveel tranen bezorgd als het wegkwijnen van zijn geliefde oceaan onder de talloze lozingen van het zwarte goud. &lt;br /&gt;‘Een opdracht, meneer?’ vroeg Benjamin, zijn wenkbrauwen fronsend.&lt;br /&gt;Swartbooi bekeek hem met een strakke blik en frommelde aan zijn donkerblauwe das. Hij dronk van zijn koffie en kuchte. Even leek het of hij niet meer wist hoe hij zijn stembanden moest gebruiken. Hij gebaarde naar Heinze opdat die het woord van hem zou overnemen.&lt;br /&gt;‘In het kader van het hoogwaardig bezoek zullen enkele gevangenen uitgeleverd worden,’ zei de dokter tot Benjamin. ‘Over een paar dagen vertrekt er een konvooi naar de grens.’&lt;br /&gt;‘Daar heb ik iets over gehoord ja, maar waar pas ik in dit verhaal?’&lt;br /&gt;‘De gevangenen die uitgeleverd worden zijn bang om die bus in te gaan.’&lt;br /&gt;‘Bang? Waarvoor?’&lt;br /&gt;Heinze keek naar Swartbooi die onwetend zijn schouders ophaalde als een slechte toneelacteur. Er viel een stilte in Swartboois kantoor. Het enige geluid was afkomstig van een zoemende ventilator. Benjamin was de eerste die de stilte doorbrak.&lt;br /&gt;‘Waarom ik?’&lt;br /&gt;Swartbooi schraapte zijn keel, snoof de dansende koffiedamp op en nam opnieuw het woord. ‘Luister Benjamin, ik kan mij geen knoeiboel veroorloven, zeker niet op dit moment. Ik wil niet dat het transport uit de hand loopt en jij zult mij daarbij helpen.’&lt;br /&gt;‘Hoezo, meneer?’&lt;br /&gt;‘Je schijnt veel respect te genieten binnen deze muren. Vele van je medegevangen kennen jou lang van voor ze naar Elsiboth gebracht werden. Ze vertrouwen jou. Jouw taak is om hen tijdens de transfer te vergezellen zodat ze geen herrie schoppen.’&lt;br /&gt;‘Wat zit er voor mij in?’ vroeg Benjamin.&lt;br /&gt;‘Kijk, het is erg belangrijk voor de relaties met onze buurlanden dat de uitlevering plaatsvindt. Ik ben bereid daarvoor een prijs te betalen, ook al is het niet van harte. &lt;br /&gt;‘Welke prijs?’ wilde Benjamin weten.&lt;br /&gt;‘Als jij er samen met de bewakers voor zorgt dat de jongens kalm blijven tot aan de grens, dan…’ Hij nap opnieuw een slokje van zijn koffie en veegde zijn bezwete voorhoofd droog met een zakdoek. ‘…dan kunnen we praten over strafvermindering.’ &lt;br /&gt;‘Dan kan je misschien ooit terug de geur van de oceaan opsnuiven,’ voegde Heinze eraan toe.&lt;br /&gt;De oceaan was Benjamins grootste gemis. Meer nog dan de bron van inkomsten voor zijn dorpsgenoten, was ze volgens Benjamin de plaats waar zijn leven begonnen was en waar het moest eindigen. Hij wilde zijn liefde doodgraag terugzien, ook al betekende dat een helse toch door de woestijn.&lt;br /&gt;‘Ik doe het,’ zei Benjamin vastbesloten. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Twee dagen later. Enkele uren voor het vertrek van het konvooi gierden de zenuwen tussen de gevangenismuren van vleugel B. Het was klokslag zes uur ’s ochtends toen zes bewakers in het licht van de oranjekleurige zonsopgang naar binnen stapten. Met een kordate duw zwaaiden ze de deuren open. Ze waren gekomen om de reisgezellen een voor een uit hun cel te halen. Luidruchtig gejoel weerkaatste tussen de vale muren. Benjamin keek langs de tralies de gang in. Bij het betreden van het cellenblok lachte de onvermijdelijke Seydlitz zijn tanden bloot. Hij ratelde met zijn knuppel langs het traliewerk van de celkamers en jutte zo de gevangenen op. &lt;br /&gt;Na verschillende gevangenen met veel geweld naar buiten te hebben gebracht – alsof ze hun laatste kans om ze te jennen niet onbenut wilden laten – hielden de bewakers halt bij de cel tegenover die van Benjamin. Ze bespaarden hem een afranseling en brachten hem net als de andere gevangenen naar het binnenplein. Daar werden ze opgewacht door een roestige autobus die met ronkende motor stond te sputteren. Aan het stuur zat een oude man zenuwachtig met zijn vingers op het stuur te trommelen. &lt;br /&gt;        Benjamin voelde de zenuwuiteinden over zijn ganse lichaam tintelen. Hij was opgewonden omdat er na al die jaren van afzondering eindelijk iets gebeurde. Nog meer was hij dankbaar voor de kans dat hij de oceaan mocht weerzien voor hij stierf tussen de gewitte muren van Elsiboth. Terwijl de gevangenen een voor een vastgesnoerd werden in de bus, kwam Heinze naar hem toe gelopen. &lt;br /&gt;‘Benjamin, voor je die bus opstapt wil ik dat je weet dat je een keuze hebt.’&lt;br /&gt;Benjamin fronste zijn wenkbrauwen en keek Heinze achterdochtig aan.&lt;br /&gt;‘Toen ik zei dat de gevangenen bang zijn om die bus op te gaan, heb ik je niet alles verteld. Dat was moeilijk in het bijzijn van Swartbooi, dat begrijp je wel.’&lt;br /&gt;‘Ik dacht al zoiets toen ik die linke smoel van hem zag.’&lt;br /&gt;‘Jongen, herinner jij je nog wat er in 1991 gebeurd is met dat gevangenentransport naar de grensstreek?’&lt;br /&gt;‘Dat was vlak voor mijn komst in Elsiboth.’ Benjamin streek peinzend door zijn baard. &lt;br /&gt;‘In mijn beginjaren deed het gerucht hier de ronde dat een konvooi van tien gevangenen spoorloos verdwenen is in Karikarubu. Heb je het daarover?’&lt;br /&gt;‘Dertien om precies te zijn. En niet spoorloos verdwenen, maar afgeslacht.’&lt;br /&gt;‘Afgeslacht?’ vroeg Benjamin ontsteld.&lt;br /&gt;‘Officieel zijn ze inderdaad spoorloos verdwenen, maar de waarheid is dat ze genadeloos werden afgeslacht door… tja, door wat eigenlijk…?’ &lt;br /&gt;Heinze krabde over zijn kruin.&lt;br /&gt;‘Door rebellen?’&lt;br /&gt;‘Nee, geen rebellen. Daarvoor waren ze te hard toegetakeld. Ze waren gestroopt, beroofd van hun ogen, hun tong en hun ingewanden. Het enige wat van hen overbleef waren hun verbrokkelde skeletten, alsof ze tot de laatste druppel waren leeggedronken door… iets.’&lt;br /&gt;Een poos lang bleef het stil.&lt;br /&gt;‘Alleen de bestuurder heeft het overleefd,’ ging Heinze uiteindelijk verder, ‘maar toen ze hem vonden was hij helemaal krankjorum geworden. Op de terugweg deed hij niets anders dan over een zwarte amulet wrijven die hij ter hoogte van Kinkela uit het raam gooide. Uiteindelijk is hij in een instelling beland.’&lt;br /&gt;‘En dit keer rijdt de bus natuurlijk weer door dat verdomde niemandsland,’ concludeerde Benjamin.&lt;br /&gt;Heinze zuchtte. Hij had nog steeds moeite om de slachtpartij te bevatten. ‘Ik vrees van wel ja, het is nu eenmaal de snelste route. Maar je hebt een keuze. Nu kan je nog terug.’&lt;br /&gt;‘Jij gelooft toch niet dat dit keer zich hetzelfde bloedbad zal afspelen?’&lt;br /&gt;‘Ik geloof niets. Ik wil alleen dat je de waarheid kent, zodat je voor jezelf de juiste beslissing kan nemen.’&lt;br /&gt;Benjamin waardeerde Heinze’s bezorgdheid, ook al had hij moeite om het verhaal te geloven. Hij was vastbesloten de kans op strafvermindering met beide handen te grijpen. De kans mislopen om de oceaan terug te zien zou hij zichzelf nooit vergeven. Hij nam afscheid van Heinze en stapte de bus in, gevolgd door Seydlitz en het groentje Shivute die het konvooi begeleidden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Omstreeks zeven uur schokte de autobus weg van het binnenplein, over een smalle zandweg die in het zuiden met de horizon versmolt. Er wachtte het konvooi een loodzware rit over de woestijnvlakte die, kreunend onder de langdurige droogte, hunkerde naar het regenseizoen. De weg tot aan de grens bestreek zo’n slordige vijfhonderd kilometer. Voor ze de grens zouden bereiken, moest het konvooi door Karikarubu, een naam die al jaren taboe was binnen de muren van Elsiboth.&lt;br /&gt;        Tijdens het grootste deel van de voormiddag slingerde de autobus over een door rood zand gevormde weg. Langs beide kanten van de weg strekten zich golvende zandzeeën uit tot aan de horizon. Her en der snakten gelige savannestruiken naar de eerste regendruppels, net als de bevolking. &lt;br /&gt;Met grote ogen keek Benjamin door het stoffige raam naar buiten. Na al die jaren van afzondering kon hij eindelijk weer een glimp opvangen van de wereld buiten Elsiboth. Heel even vergat hij Heinze’s waarschuwing en keek hij dankbaar naar het landschap dat naar het zuiden toe steeds mooier werd. &lt;br /&gt;        Na een honderdtal kilometer gingen de grillige bochten langzaam over in een kaarsrechte lijn. Het was bij die verandering dat Benjamin zag hoe in de verte het rode zand plaats maakte voor witgrijze duinen. Ze waren egaal en zacht, als gigantische zijden lakens die door een bries op de wolkenloze lucht dreven. De wapperende planten die er uit het zand rezen wezen op vruchtbare grond. &lt;br /&gt;        Ongeveer een kwartier later naderde de bus het kleurrijke gebied. De bestuurder wrong zijn wrak tussen de witgrijze duinen naar de oase. Benjamin trok zijn kettingen strak en drukte zijn bezwete neus tegen het raam. Hij vergat te ademen bij het zien van een hemelsblauw meertje dat flikkerde als een duur juweel. Met open mond keek hij toe hoe het milde briesje de zonneglinsteringen op het water omtoverde tot een fonkelende caleidoscoop. De andere gevangen bleken evenzeer onder de indruk als hij, want het was opeens muisstil in de bus. Lang duurde die stilte echter niet. &lt;br /&gt;Op het moment dat de bestuurder om een duin draaide, verdween de oase langzaam uit het zicht.&lt;br /&gt;‘Stop! Laat ons even van dit geweldige uitzicht genieten!’ smeekte iemand.&lt;br /&gt;Het was Amathila, een oude man die al meer dan drieëntwintig jaar Elsiboth achter de rug had. Mbaha maakte aanstalten om te stoppen.&lt;br /&gt;‘Zwijgen jij, ouwe klootzak!’schreeuwde Seydlitz. De woorden schoten uit zijn mond als roestige kogels uit een oud pistool. ‘En dat geldt voor iedereen,’ voegde hij eraan toe.&lt;br /&gt;Hij nam opnieuw plaats naast Shivute die onrustig op zijn stoel zat te wriemelen. Benjamin kon nog net horen hoe de bewaker het groentje toesprak.&lt;br /&gt;‘Kom op Joel, verman jezelf . De jongens speelden maar een spelletje met jou, weet je wel, omdat je een groentje bent. Je gelooft die legende van Karikarubu toch niet echt?’&lt;br /&gt;‘Hoe zeiden ze het ook alweer,’ stotterde Shivute, ‘dat één keer om de tien jaar de hemel boven Karikarubu mensenoffers opeist in ruil voor regen?’&lt;br /&gt;‘Ach kom, jij gelooft die onzin toch niet? We zijn bijna halfweg. Straks gaan we met een grote smak geld naar huis en dan kan je eindelijk die mooie ring kopen voor je hartendief,’ schaterde Seydlitz.&lt;br /&gt;Shivute beantwoordde die spottende opmerking met een zuur lachje. Daarna wreef hij het zweet van zijn voorhoofd en klemde zijn hand om de armleuning. Met de andere hand sloeg hij een kruisteken. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Rond het middaguur naderde het konvooi Kinkela, een dorpje op zo’n slordige twee kilometer van de kust. Beige barakken met platte daken stonden er verspreid in het rulle zand. In de kozijnen stonden enkel nog wat scherven overeind en binnenin de gebouwtjes hadden zich zandheuveltjes opgestapeld.&lt;br /&gt;Benjamin keek naar buiten en zag hoe Kinkela ten prooi gevallen waren aan een woeste zandstorm. Zo te zien waren de bewoners op de vlucht geslagen. Aan de onheilspellende toestand in het dorp voelde hij, of dacht hij te voelen, dat Karikarubu niet meer veraf was. Hij had er geen rekening mee gehouden dat die wetenschap hem angst zou inboezemen. Wat als die legende waarover Shivute daarstraks met bevende stem sprak toch waar zou zijn? Het was vandaag per slot van rekening exact tien jaar geleden dat het konvooi spoorloos verdwenen was. &lt;br /&gt;Even flirtte Benjamin in gedachten met een ontsnappingspoging. Kon hij dat risico wel nemen? Er was hem immers strafvermindering beloofd. Bij een mislukte ontsnappingspoging zou die belofte ongetwijfeld verbroken worden. Bovendien was hij natuurlijk nog altijd geboeid aan handen en voeten. Hij keek schichtig rond in de bus en merkte hoe ook Seydlitz stilaan nerveus werd van het spookdorp. De bewaker liep zuchtend naar voren waar hij de bestuurder met een handgebaar aanmaande om een versnelling hoger te schakelen.&lt;br /&gt;        Bij het uitrijden van het Kinkela passeerde de bus een zwart kerkgebouw dat Benjamins aandacht trok. Op het moment dat hij zich draaide om het gebouw beter te kunnen bekijken, dook er plots een schriel mannetje op bij het raam. Benjamin veerde recht uit zijn stoel – waardoor de kettingen zich in zijn enkels groeven – en slaakte een kreet. Het mannetje kwam op de afdraaiende autobus afgestoven en timmerde als een gek met zijn vuistjes tegen het koetswerk. &lt;br /&gt;Er ontstond paniek in de bus. Door de herrie vergiste de bestuurder zich van pedaal en gooide per ongeluk alle remmen dicht. Piepend en kreunend kwam het vehikel tot stilstand. Benjamin kon nog net zien hoe het zwarte mannetje rond de bus naar het portier huppelde. Zijn doffe kroezelhaar zat vol zandkorrels en rond zijn tengere lichaam zaten vuile lompen gewikkeld. Aan de blinkende edelstenen rond zijn vingers dacht Benjamin in hem een voodoopriester te herkennen. &lt;br /&gt;        Ook Seydlitz had de priester in de gaten en nam zijn revolver uit zijn gordel. Toen het mannetje bij de busingang stond, opende hij de deur en duwde hij de loop in diens gezicht.&lt;br /&gt;‘Wat wil je?’ snauwde hij hem toe.&lt;br /&gt;De priester ging op zijn knieën zitten en begon wat te brabbelen. Hij richtte zich daarbij afwisselend naar de hemel en naar de gevangenen. Het leek alsof hij hen voor iets wilde waarschuwen, maar zijn hysterische woorden waren onverstaanbaar. &lt;br /&gt;        Benjamin volgde nauwgezet wat er bij het portier gebeurde. Verbaasd keek hij naar de priester en aanhoorde zijn kabaal. Wanneer de tirade eindelijk gedaan was, maakte het mannetje smekende gebaren naar Seydlitz om op de bus te mogen. Zonder iets te zeggen gaf de norse bewaker hem een trap tegen de borstkas waarop de priester met een doffe klap in het zand viel. Meteen daarna ontstond er geschreeuw in de bus. &lt;br /&gt;‘Laat hem erin!’ klonk het van verschillende kanten. ‘Laat hem er godverdomme in!’&lt;br /&gt;Seydlitz draaide zich kwaad om en richtte zijn revolver op de gevangenen. Om zijn lippen zat een randje schuim van woede. &lt;br /&gt;‘Als jullie niet zwijgen, pomp ik jullie vol lood. En geloof mij, er is genoeg voor iedereen.’&lt;br /&gt;Het gejoel verstomde en Seydlitz liet zijn revolver weer zakken. Benjamin durfde het aan om de schuimbekkende bewaker iets toe te fluisteren.&lt;br /&gt;‘Begrijp je het dan niet Seydlitz? Die jongens zijn allemaal bijgelovig.’&lt;br /&gt;‘Wat dan nog? Je gaat me toch niet vertellen dat jij ook in die flauwekul gelooft?’ &lt;br /&gt;‘Wat ik geloof doet er niet toe, maar met zo’n voodoopriester in hun bijzijn geloven ze dat hen niets kan overkomen.’&lt;br /&gt;Seydlitz tuitte zijn lippen. Hij wist dat Benjamin gelijk had, maar hij had niet veel zin om een charlatan de bus op te laten. Hij woog de voordelen af tegen de nadelen en liet daarbij zijn tong over zijn tanden glijden.&lt;br /&gt;‘Goed, maar één verkeerde beweging en ik stamp hem persoonlijk de bus uit.’&lt;br /&gt;Daarna fouilleerde Seydlitz de priester en ondervroeg hem over wat er met Kinkela aan de hand was. Het mannetje kon alleen maar met zijn hoofd schudden aangezien hij het antwoord niet kende; of niet wilde vertellen. Na de fouillering nam hij plaats naast Benjamin en fluisterde iets in zijn oor. &lt;br /&gt;‘Vandaag gaat het regenen.’&lt;br /&gt;‘Wat bedoel je precies?’&lt;br /&gt;‘Mensen zullen sterven in ruil voor de regen.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De bus was al vijftig kilometer buiten Kinkela toen de voodoopriester maniakaal met zijn duim over een gitzwarte amulet die rond zijn hals hing begon te wrijven. Hij drukte zijn lippen daarbij strak op elkaar en keek als bezeten naar de hemel. Benjamin richtte zijn aandacht op de priester, zijn neurotische gebaren en de amulet. Hij dacht meteen terug aan Heinze’s verhaal over de gruwelen van 1987 en aan de enige overlevende: de chauffeur en zijn amulet. Aan de verafgoding van de voodoopriester voor het zwarte voorwerp te zien, moest het wel een talisman zijn.&lt;br /&gt;       Plots hoorde hij de priester een resem onverstaanbare woorden prevelen. Het leek alsof hij een oude taal sprak; een taal die al lang niet meer gebruikt werd; een taal die alleen nog maar gesproken werd door voodoopriesters, en dan nog enkel tijdens bepaalde rituelen. Benjamin begreep er geen sikkepit van, maar het ritme en de intonatie van de woordenstorm klonk als een gebed.  &lt;br /&gt;‘Wat zegt hij Benjamin?’ brulde Djimoun van op de achterste bank. Hij trok de twee kettingen waarmee hij in de bodem vastgesnoerd was strak en leunde voorover. &lt;br /&gt;‘Geen idee, ik versta er geen letter van.’&lt;br /&gt;‘Bekken dicht!’ Seydlitz draaide zich om en tastte waarschuwend naar zijn knuppel. De voodoopriester schrok en slikte zijn laatste woorden in. Nadat Seydlitz weer ging zitten, boog het oude mannetje zich naar Benjamin en fluisterde hem een waarschuwing toe.&lt;br /&gt;‘Wat zegt hij?’ vroeg Djimoun opnieuw.&lt;br /&gt;‘Godverdomme, vet zwijn, als ik je gore stem nog één keer hoor, dan sla ik je kreupel.’&lt;br /&gt;Seydlitz stond recht en liep schuimbekkend naar het achterste gedeelte van de bus. Hij hield zijn knuppel dreigend boven het hoofd van Djimoun en keek hem woest aan.&lt;br /&gt;‘Beschouw dit als een laatste waarschuwing,’ gromde hij.  &lt;br /&gt;Toen ging hij terug naar zijn zitplaats en zei tegen de priester dat hij moest ophouden met de gevangenen op te jutten. &lt;br /&gt;        Benjamin keek recht voor zich uit en zweeg. De waarschuwende woorden van de priester spookten door zijn hoofd. Hij wilde nu kost wat kost de talisman hebben, want hij was ervan overtuigd geraakt dat die hem tegen het onheil van Karikarubu zou beschermen. Hij wilde niet dood; niet nu en niet zonder het water van de oceaan op zijn huid gevoeld te hebben. Maar hij vreesde dat Seydlitz zijn kop eraf zou knallen als hij één verkeerde beweging maakte. Dus zweeg hij en keek door het raam, piekerend over een manier om de geluksbrenger te bemachtigen, twijfelend of het wel verstandig was om zijn leven te riskeren voor een legende.&lt;br /&gt;        Toen de rust in de bus terugkeerde, voerde de bestuurder zijn passagiers met een hels tempo langs de kartelende kustlijn. Tussen de duinen flitste de kraakwitte branding van de oceaan voorbij. Het eindeloze wateroppervlak reikte tot aan de horizon. Voor sommige gevangenen was het de eerste keer dat ze de oceaan zagen, voor anderen was het jaren geleden. Benjamin pinkte een traan weg. Het idee dat hij na al die tijd eindelijk de machtige oceaan terugzag, stemde hem gelukkig. Hoe meer hij naar de golven keek, des te feller brandde het verlangen in zijn hart om het water op zijn huid te voelen. &lt;br /&gt;Maar hij zag iets vreemds in het water. Het viel hem op dat het met ongewoon zachte golfbewegingen tegen de duinen klotste. Ook de kleur van de oceaan was anders dan voorheen, alsof er een donkere schaduw op lag. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tien minuten later stond de zon op haar hoogste punt. In de autobus was het snikheet en de gevangenen begonnen te jammeren. Benjamin zag zijn kans om in het tumult de amulet van de ondertussen slapende priester te stelen. Hij stak zijn hand uit naar diens hals en probeerde hem ongemerkt van de lederen band te ontfutselen. Nog voor hij de knoop erin kon beroeren, schoot het mannetje wakker, zijn kraaloogjes blinkend van woede. In een onbezonnen reflex trok Benjamin de band rond zijn hals strakker, net zover tot er geen haar meer tussen kon. Het duurde niet lang voor de priester tevergeefs naar adem begon te happen. Benjamin slaagde erin zijn spartelende vuistjes te ontwijken, tot zijn enige wapenfeit nog een zielig gekreun was dat door het kabaal in de bus overstemd werd. Wanneer zijn lichaam uiteindelijk verslapte, rukte Benjamin de amulet van de band. &lt;br /&gt;        Ondertussen smeekten de gevangenen om een drinkpauze. Seydlitz liet Shivute rondgaan met bekertjes water. Ook de bestuurder had last gekregen van de warmte en goot enkele slokken frisdrank naar binnen. Toen er plots geschreeuw door de bus galmde, verslikte hij zich zodanig dat de drank uit zijn neus naar buiten stroomde. Hij en Seydlitz keken achterom, naar de bron van het geschreeuw. &lt;br /&gt;‘Hij is dood,’ gilde Shivute met overslaande stem.&lt;br /&gt;Seydlitz was ondertussen opgestaan. Met de revolver in zijn hand duwde hij de trillende Shivute opzij. De voodoopriester  zat roerloos op zijn stoel. Hij ademde niet meer. Zijn irissen waren verdwenen onder zijn oogleden en zijn mond stond open. Met zijn vrije hand schudde Seydlitz het vederlichte lichaam van de priester heen en weer, maar er kwam geen reactie. Hij duwde zijn kin omhoog en ontdekte de rode groef in zijn hals. Benjamin begreep dat hij zijn strafvermindering nu wel kon vergeten.&lt;br /&gt;‘Klootzak die je bent!’ schreeuwde Seydlitz, ‘Je hebt hem vermoord.’&lt;br /&gt;Benjamin wendde zijn blik af van de bewaker en keek naar beneden. Met zijn geboeide handen, de handen waarmee hij zonet de oude priester gewurgd had, omklemde hij de amulet.&lt;br /&gt;‘Geef hier dat ding.’&lt;br /&gt;Benjamin antwoordde niet, maar greep de amulet nog steviger vast.&lt;br /&gt;‘Geef hier of ik schiet je neer,’ zei Seydlitz koelbloedig, en hij richtte zijn revolver op Benjamin. &lt;br /&gt;Die kon niets anders dan gehoorzamen, anders zou hij hier en nu sterven. Met veel tegenzin gaf hij de amulet aan Seydlitz die hem wegstak in zijn broekzak.&lt;br /&gt;        Even later beval Seydlitz de bestuurder om halt te houden en het portier te openen. Hij sleepte het dode lichaam van de voodoopriester naar de deur en gooide het in het donkere zand. De bewaker wilde de deur terug sluiten, maar leek even te aarzelen. &lt;br /&gt;Benjamin zag de reden van zijn aarzeling: een schaduw die dubbel zo groot was als de stand van de zon het normaal gezien toeliet. Onbegrijpend keek hij naar boven, op zoek naar de oorzaak van de schaduw. Hij was afkomstig van een reusachtige asgrauwe wolk die boven de bus hing. Meer en meer begon hij ervan overtuigd te geraken dat de legende niets met bijgeloof te maken had.&lt;br /&gt;‘Gas geven,’ beval Seydlitz.&lt;br /&gt;De bestuurder ging op het gaspedaal staan, maar zijn vehikel gaf geen krimp. Hij probeerde het nogmaals, weer zonder succes. Daarop zette hij de motor uit en weer aan en probeerde het opnieuw, maar tevergeefs. Wat hij ook probeerde, hij kreeg de autobus niet meer aan de praat.&lt;br /&gt;‘Vooruit, waar wacht je op?’ snauwde Seydlitz hem toe.&lt;br /&gt;‘Hij doet het niet meer, meneer. Een probleem met de motor, denk ik.’&lt;br /&gt;‘Verdomme, ook dat nog!’&lt;br /&gt;‘We zijn er geweest,’ griende Shivute, ‘het is zover, we zijn er geweest.’&lt;br /&gt;‘Hou nu verdomme toch eens je kop, huilebalk.  Ze hadden een mietje zoals jij beter wc’s laten schrobben in plaats van je met mij op pad te sturen.’&lt;br /&gt;        Er ontstond rumoer in de bus. De gevangenen keken onrustig naar buiten en zagen hoe het langzaam maar zeker begon te schemeren. Ze begonnen zenuwachtig aan hun kettingen te morrelen.      Ook Benjamin voelde hoe angst hem bekroop. De gruwelverhalen over Karikarubu flitsten opnieuw door zijn hoofd, net zoals de neurotische voorspelling van de voodoopriester. &lt;br /&gt;Had ik die amulet nu maar, dacht hij bij zichzelf.&lt;br /&gt;        Als verlamd keek hij naar de sluier van duisternis die het daglicht seconde per seconde verdrong. Het lawaai in de bus nam toe, wanhopige angstkreten overstemden het gemorrel aan de boeien. In zijn ooghoek zag Benjamin hoe Seydlitz een tweeloop van onder zijn stoel nam en kordaat zijn keel schraapte.&lt;br /&gt;‘Handen in de lucht en bekken dicht!’ riep de bewaker woest. &lt;br /&gt;De siddering in zijn stem verried angst, net zoals de witte plekken in zijn gezicht. Als een dolle schutter richtte hij zijn vizier willekeurig op alle gevangenen. Ze letten niet op hem. Ze waren minder bevreesd voor een kogel dan voor het onheil dat over de autobus neerdaalde. &lt;br /&gt;Er bestond geen twijfel over: ze waren in Karikarubu.&lt;br /&gt;        Benjamin keek naar de wolken die in een mum van tijd als een bol garen samenklitten en de brandende zon terugdrongen naar een uithoek van het universum. De hemel was nu pikzwart geworden. Een stevige wind beukte in op de bus. Miljoenen zandkorrels vlogen op uit de duinen en regenden als kleine kogeltjes op het koetswerk. De bestuurder was de eerste die uit pure schrik naar buiten liep, de duisternis in. Benjamin wilde hem volgen, maar de ketting rond zijn voeten verhinderde dat. Bovendien durfde hij niet naar buiten zonder de geluksbrenger. Die zat nog altijd in de broekzak van die verdomde Seydlitz. Hij dacht na over een manier om hem te pakken te krijgen, maar hij besefte dat hij weinig kon doen met die boeien rond zijn polsen en enkels. &lt;br /&gt;Hij keek naar de wild met zijn tweeloop zwaaiende Seydlitz en dan naar Shivute. Die laatste hield zich krampachtig vast aan de armleuning van zijn stoel, zijn gezicht verwrongen tot een masker van angst. Zijn sleutelbos hing net binnen handbereik, maar Benjamin kon zich geen misstap veroorloven. Eén verkeerde beweging en Seydlitz zou zijn kop eraf knallen, dat wist hij zeker. Hij moest het juiste moment afwachten. &lt;br /&gt;        Plots ontstond er luid gebrul achteraan in de bus. Het was Djimoun. Hij probeerde de kettingen rond zijn voeten los te rukken. Seydlitz kreeg hem in de gaten en stormde op hem af, de ader onder zijn linkeroog trillend van razernij. Dit was Benjamins kans. Hij keek achterom, naar Seydlitz, en dan naar Shivute. Die zat nog steeds in shock naar de zwarte wolken te kijken. Benjamin boog voorover en stak zijn arm uit naar de sleutelbos, maar hij kon er net niet bij. Met gespannen spieren trok hij zijn ketting op zijn strakst en deed een tweede poging. Dit keer kon hij de sleutelbos maar net aanraken. Nogmaals keek hij achterom en draaide dan met zijn duim en wijsvinger de ring van Shivute’s gordel. Die was te angstig om iets in de gaten te hebben. &lt;br /&gt;        Seydlitz was ondertussen de longen uit zijn lijf aan het schreeuwen tegen Djimoun. Benjamin schrok van het lawaai, maar probeerde desondanks een voor een de sleutels uit. Zijn handen beefden, zijn adem stokte in zijn keel. De vierde sleutel was de juiste. Hij zuchtte alle spanning van zich af en opende het slot. &lt;br /&gt;Hij was vrij. &lt;br /&gt;Voor de derde keer keek hij achterom, naar Seydlitz die nu helemaal hysterisch was. De bewaker schoot Djimoun, die erin geslaagd was om een van de kettingen uit de bodem los te rukken, in de voet en herlaadde zijn tweeloop. &lt;br /&gt;        Benjamin zette zich ondertussen recht om het wapen van Shivute uit de gordel te pakken.&lt;br /&gt;‘Halt, waar denk jij naartoe te gaan?’&lt;br /&gt;Net toen Benjamin bijna Shivute’s revolver veroverd had, had Seydlitz hem opgemerkt. &lt;br /&gt;‘Zozo, jij gluiperd, jij wil er dus stiekem vanonder muizen? Had ik het niet gedacht, eerst die charlatan vermoorden en nu dit weer.’&lt;br /&gt;Benjamin keek de furieuze bewaker verslagen aan. Zijn aangezicht lag in het vizier van Seydlitz’ tweeloop. Even twijfelde hij of hij het op een lopen zou zetten, maar hij durfde niet. Bovendien was datgene wat hem buiten stond te wachten misschien wel duizendmaal wreder dan een hete bol lood. Er zat niets anders op dan zich over te geven. &lt;br /&gt;        Benjamin slofte teneergeslagen naar zijn stoel, maar nog voor hij daar was, rukte de bulderende Djimoun zijn handen los uit de boeien. Met zijn grote vuist mepte hij Seydlitz tegen zijn slaap waardoor als een vod over een van de banken viel. De weg naar de vrijheid lag open voor Benjamin. Hij holde naar de achterkant van de bus en griste de talisman uit Seydlitz’ broekzak, nog voor Djimoun zichzelf helemaal bevrijd had uit zijn boeien. Daarna liep hij terug naar het portier. De ineengekrompen Shivute legde hem geen strobreed in de weg bij zijn ontsnapping. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Buiten werd Benjamin verrast door de duistere krachten waarvoor de voodoopriester hem gewaarschuwd had. Hij klemde de amulet stevig vast en keek naar de hemel, waar de zwarte wolkenknoop die daarnet boven de autobus hing nu gedeeltelijk ontward was. In het hart van de knoop  gaapte een reusachtig ellipsvormig gat. Het keek als een vurig oog neer op de bus en haar onfortuinlijke passagiers. In het gat borrelden woeste luchtstromen en flitsten felle bliksems heen en weer. Ze waren rood en hun warmte was voelbaar tot op de grond. Het leek wel elektriciteit, maar dan veel krachtiger. &lt;br /&gt;        Benjamin hoorde hoe achter hem de autobus begon te schokken. Het rode oog had zijn zinnen op het wrak gezet. Enkele seconden later werden de zijspiegels en enkele verroeste onderdelen meedogenloos losgerukt. Met een immense snelheid vlogen ze naar de hemel en verdwenen ze in het oog tussen de wolken. Benjamin keek de vernielingen vol verbijstering aan. Hij zat in het zand, zo’n vijftigtal meter van de bus verwijderd, maar bleef als bij wonder gespaard van de ravage. Het gekrijs van zijn medegevangenen sneed door merg en been, het overstemde de huilende wind en het geluid van het verwrongen staal. Hij kon niets anders doen dan toekijken hoe de bus gesloopt werd en de brokstukken met een enorme kracht naar boven gezogen werden. Hij drukte de amulet tegen zijn lippen en bad dat hij dit zou overleven.&lt;br /&gt;        Terwijl hij bad, zag Benjamin hoe Djimoun naar het deurgat kroop, zijn gewonde voet achter zich aan slepend. De reus zette zich klaar om de woestijn in te duiken, maar nog voor hij het ijzeren trapje kon beroeren, werd hij gegrepen door de heftige luchtstromen. Als een stofzuiger zogen ze de bruine huid van zijn lichaam weg. Hoe meer lichaamsdelen er bij hem losgerukt werden, des te harder hij begon te schreeuwen, tot hij helemaal verdwenen was, dan pas hield het verschrikkelijke geschreeuw op. &lt;br /&gt;Wat verderop in de bus spatten de ramen aan diggelen. De overige gevangenen probeerden zich tevergeefs uit hun boeien te bevrijden. Bevend over zijn ganse lichaam keek Benjamin toe hoe ze door de vernielde ramen naar buiten vlogen. Lappen huid, ingewanden en spieren regenden als een spervuur van menselijke overblijfselen naar de hemel. Het losgerukte vel van Seydlitz bleef achter een glasscherf haken om vervolgens, in twee stukken doormidden gereten, als wapperende baniertjes naar boven te fladderen. Zijn darmen stormden af op het rode oog en glipten daarbij door de gescalpeerde ribbenkast van Shivute. Langs alle kanten vlogen rode brokken uit de autobus naar buiten, ingesloten door een wervelstorm van miljoenen zandkorrels. Zo ging het maar door.&lt;br /&gt;Toen er geen druppel bloed en geen vierkante centimeter huid meer overbleef, verdween het rode oog even plots als het gekomen was in de wolken. De storm ging liggen en het gehuil van de wind verstomde. De donkere schaduwen verdwenen, het daglicht kwam opnieuw tevoorschijn. &lt;br /&gt;        Benjamin keek verslagen naar het hoopje schroot dat in het zand lag te dampen. Dankbaar keek hij naar de amulet die hem voor een macabere dood behoed had. Waarom, dat wist hij niet, maar hij was blij dat hij dit inferno overleefd had. Hij stond op en wankelde naar de bus. Eenmaal bij het wrak keek hij langs de gebroken vensters naar binnen. De vloer en zitbanken waren bedolven onder het vermorzelde gruis van beenderen. Verder was er geen teken van leven te bekennen. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Niemand zou Benjamin komen zoeken in Karikarubu, daar was hij zeker van, dus kon hij zonder zich zorgen te maken genieten van zijn vrijheid. Hij keek naar de oceaan die al die jaren op hem gewacht had. Ze lag enkele tientallen meters verder te glinsteren in het warme zonlicht. Op de aanrollende golven dobberde een kolonie hongerige zeemeeuwen, wachtend op een vis. Moe maar gelukkig strompelde Benjamin naar de kust waar een scherpe klif en een zijdeachtige duin elkaar ontmoetten. In hun omhelzing lag de schitterende branding wild te schuimen. Bij het ruiken van het water en het horen van de brekende golven voelde hij dat zijn hart sneller begon te slaan. Hij klom naar de top van de duin en liet zich luid lachend in het water glijden, waar hij als een uitgelaten kind tegen de golven opsprong. &lt;br /&gt;Opeens voelde hij een druppel op zijn hoofd plenzen. &lt;br /&gt;Hij keek op en zag hoe de amulet in zijn rechterhand rood kleurde. Het leek op bloed. Vervolgens keek hij verwonderd naar de hemel waar een zilverkleurige wolk zich boven de oceaan had samengepakt. Het was een regenwolk. Met een immense kracht perste ze de overblijfselen van Seydlitz, Shivute, Djimoun en de andere gevangenen naar buiten. Hun lichaamsdelen donderden naar beneden en priemden grote kuilen in de oceaan. Het water rondom Benjamin kleurde ogenblikkelijk rood. Hij dook onder water om een ruggengraat die als een speer door de lucht kliefde te ontwijken. Toen hij terug aan het oppervlak kwam om naar adem te happen, werden de uitgebraakte brokken mensenvlees gevolgd door flinterdunne regendruppels. Hij stak zijn handen uit, de handpalmen naar boven gericht en begon te schateren. Voor het eerst in zoveel jaren kon hij lachen. Het voelde heerlijk.&lt;br /&gt;Zich een weg banend tussen de overblijfselen die op de golven dreven, zwom hij naar de kant waar hij zich languit in het zand liet zakken. Als hij hier zou blijven, was zijn leven misschien in gevaar, maar nu hij het zout van de oceaan eindelijk weer op zijn tong kon proeven, wilde hij onder geen beding terug naar Elsiboth. Zijn vrijheid was dit risico waard. Hij had immers een geluksbrenger die hem voor Karikarubu zou behoeden. Hij borg de amulet op in het borstzakje van zijn doorweekte gevangenisplunje, vastbesloten ze nooit te verliezen. Daarna sloot hij zijn ogen en viel in slaap op het warme zand.&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/5278246417755154531-8106778894649819160?l=dromen-van-nachtmerries.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='replies' type='application/atom+xml' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/feeds/8106778894649819160/comments/default' title='Reacties plaatsen'/><link rel='replies' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/06/karikarubu.html#comment-form' title='0 reacties'/><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/8106778894649819160'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/5278246417755154531/posts/default/8106778894649819160'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://dromen-van-nachtmerries.blogspot.com/2011/06/karikarubu.html' title='Karikarubu'/><author><name>Tom Thys</name><uri>http://www.blogger.com/profile/16893622577215590417</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><thr:total>0</thr:total></entry></feed>
