Dromen van Nachtmerries

Dromen van Nachtmerries is de titel van een reeks korte horrorverhalen die regelmatig op deze blog zullen verschijnen.

maandag 31 oktober 2011

Halloween

31 oktober 1978
Het was de nacht van Halloween en de dertienjarige Lucy Feldman zat voor het raam naar de duisternis te staren. Haar ouders hadden ruzie gemaakt waardoor ze de slaap niet kon vatten. Ze observeerde de wolken die in slierten voorbij de maansikkel trokken en de dorre bladeren die in wervelstormpjes door de straat vlogen. Aan de overkant werd het laatste licht in een huis gedoofd. Op de pompoenlichtjes in de voortuinen en het maanlicht na, was het pikdonker.
Op het moment dat ze besloot om een nieuwe poging tot slapen te ondernemen, zag Lucy in de verte een schim opdoemen in het midden van de straat. Hij strompelde haar richting uit. Was het meneer Collins die zo laat nog op was? Jeffrey Collins werkte in de staalfabriek in het naburige dorp en dronk na het werk geregeld een glas, dat wist iedereen in Clovis. Hij stond erom gekend om, als hij dronken was, met veel rumoer thuis te komen. Maar deze man maakte geen kabaal. Bovendien had hij allesbehalve het silhouet van een staalarbeider. Zijn rug was gekromd en zijn passen moeizaam. Nu hij steeds dichterbij kwam, merkte Lucy dat hij de lichaamsbouw van een oude man had. Welke oude man kwam zo laat nog buiten?
Lucy drukte haar hoofd tegen het glas en kneep haar ogen samen. De schim bevond zich nu op zo’n tien meter van het huis van haar ouders. Zijn gezicht was steeds verborgen in de schaduw van zijn hoed waardoor ze hem niet kon herkennen. Op een van zijn schouders droeg hij iets. Eerst kon ze niet goed zien wat. Pas toen de man het huis passeerde, zag ze dat hij een donkere zak bij zich had. Aan zijn broze bewegingen te zien had hij veel moeite om het gewicht ervan te torsen. Benieuwd wat hij ermee van plan was, volgde Lucy nauwgezet zijn stappen. Ze taxeerde hem net zolang tot hij op het einde van de straat achter de omheining van het oude honkbalveld verdween.
‘Dit moet ik aan Corey vertellen!’ was het eerste dat in haar opkwam.
Ze bleef aan het raam gekluisterd en probeerde te zien wat hij van plan was, maar het veld was te ver weg. Het enige wat ze zag waren de gekerfde pompoenen en de schaduwen van de huizen in het maanlicht. Toch bleef ze geboeid naar buiten kijken. Aangezien ze in een doodlopende straat woonde, moest hij vroeg of laat terugkomen. Enige tijd later werd haar geduld beloond.
De nachtwandelaar keerde terug van zijn bestemming. Zo te zien was de zak die hij daarnet op zijn schouder droeg leeg. Met een snellere tred dan daarnet liep hij van het veld weg. Lucy volgde elke stap tot hij aan het andere uiteinde van de straat versmolt met de nacht.
Ze stelde vast dat haar hart sneller was gaan slaan. Zonder dat ze het wist had ze haar adem ingehouden. Een molen vol gedachten draaide in haar hoofd. Wat zat er in die zak? Wat had die man te zoeken op een honkbalveld waar al jaren geen honkbal meer gespeeld werd? En waarom midden in de nacht? Er was iets met de stiekeme manier waarmee hij zich door de straat begaf. Wat ze precies gezien had wist ze niet, maar Lucy had er wel een onbehaaglijk gevoel van gekregen. Ze was zelfs een beetje bang geworden, al wilde ze dat niet toegeven tegenover zichzelf. Pas toen ze helemaal zeker was dat de man verdwenen was, wendde ze haar blik af van de straat. Ze ging op bed liggen, sloot haar ogen en probeerde te slapen, maar het beeld van de schim bleef door haar hoofd spoken.

Exact één jaar later
‘Eet je bord leeg, schatje,’ zei Lucy’s moeder, ‘we hebben nog een lange rit voor de boeg.’
Lucy roerde lusteloos in de kom met week geworden ontbijtgranen. Haar hoofd stond niet naar het ontbijt. Bovendien voelde ze zich ziek.
‘Mama, ik voel me niet zo goed, ik denk dat ik een verkoudheid heb. Mag ik niet thuisblijven?’
‘Wil je de zee niet zien dan?’
‘Die kan ik later elke dag nog zien.’
Ze zette een pruillip op. Meermaals had ze hiermee succes geoogst.
‘Het heeft geen zin om te zitten mokken.’
‘Maar mama, ik denk zelfs dat ik koorts heb,’ zei ze, terwijl ze opzichtig haar neus snoot.
Haar moeder ging een thermometer halen en mat haar temperatuur. Ze had inderdaad lichte koorts.
‘Toch vind ik dat je nog te jong bent om alleen thuis te blijven.’
‘Ik ben toch geen peuter meer!?’ zei Lucy verongelijkt.
‘Misschien moeten we aan de Foleys vragen of ze niet enkele uurtjes bij hen kan blijven,’ mengde Lucy’s vader zich nu in het gesprek.
‘Schat, ben je soms vergeten wat er vijftien jaar geleden met William gebeurd is?’
‘Natuurlijk niet, … maar het heeft geen zin om in het verleden te leven. Bovendien zijn we voor de avond terug. We moeten alleen nog onze handtekening onder de verkoopsakte zetten en dan is alles in kannen en kruiken.’
‘Toe mama,’ smeekte Lucy hoopvol.
De Foleys woonden schuin over de Feldmans in een wit huis met in de voortuin twee kastanjebomen. Het gezin bestond uit meneer en mevrouw Foley, hun zestienjarige zoon en een labrador. Het was zaterdagochtend, dus meneer Foley was zoals gewoonlijk gaan vissen. Mevrouw Foley deed waarschijnlijk het huishouden terwijl hun zoon met typische puberdingen bezig was.
Lucy’s moeder tuitte aarzelend haar lippen en gaf uiteindelijk toe, al was het met tegenzin: ‘Als de Foleys geen bezwaar hebben, dan mag je bij hen blijven.’

Lucy wuifde haar ouders uit. Mevrouw Foley was zoals altijd verheugd om haar te zien. Ze zette de stofzuiger aan de kant en gaf haar een knuffel.
‘Het is aan je te zien dat je ziek bent,’ zei ze bezorgd, ‘zal ik een kop hete thee met honing voor je maken?’
‘Dat hoeft niet, ik kom net van tafel,’ zei Lucy. ‘Mevrouw Foley,’ voegde ze eraan toe, ‘is Corey thuis?’
‘Hij is op zijn kamer, ga maar naar hem toe als je wil.’
Met twee treden tegelijk stormde Lucy de trappen op, naar een kamer die aan de straatkant lag. De deur was gesloten en er klonk luide rockmuziek. Ze klopte. Toen er geen antwoord kwam, opende ze de deur en ging naar binnen.
‘Verdorie,’ schrok Corey, ‘kun je niet kloppen!?’
De blonde jongen moffelde een naaktblad onder zijn hoofdkussen en liep rood aan. Lucy keek onwennig naar de grond.
‘Ik heb geklopt,’ stamelde ze, ‘maar je hebt het niet gehoord door die muziek.’
‘Nou, klop dan in het vervolg wat harder!’
‘Sorry.’
‘Het is al goed.’
Lucy was heimelijk verliefd op haar drie jaar oudere buurjongen. Sinds die keer dat ze met haar fiets gevallen was en hij haar gewonde knie verzorgd had, keek ze anders tegen hem aan. Daarvoor had ze hem maar een lawaaierige aansteller gevonden, maar eigenlijk was hij best wel lief, en mooi ook. Dat had ze vroeger nooit opgemerkt. Pas sinds haar eigen lichaam begon te veranderen en haar borstjes begonnen te groeien, kreeg ze ook meer aandacht voor jongens.
‘Wat kom je hier trouwens doen?’ vroeg Corey, wiens wangen hun normale kleur weer hadden aangenomen.
‘Mijn ouders zijn naar Santa Cruz om een appartement aan zee te kopen.’
‘Cool! En jij wilde niet mee?’
Lucy schudde met haar hoofd.
‘Ik wil niet verhuizen. En daarbij, ik heb een verkoudheid.’
‘Nu je het zegt, het lijkt net alsof je door je neus praat.’
Ze lachten. Lucy ging naast Corey op bed zitten en keek gefascineerd naar zijn muziekverzameling. Zelf kreeg ze te weinig zakgeld om cassettebandjes te kopen. Ze was van plan om, wanneer ze ook zestien was, een bijbaantje te zoeken en net als Corey een hele verzameling aan te leggen. Was ze al maar zestien, dan zag hij haar tenminste staan. Nu trok hij enkel met meisjes van zijn eigen leeftijd op. Het soort meisjes dat de hele tijd met hun uiterlijk bezig was.
‘Hoe is het met je vriendinnetje?’ vroeg ze, terwijl ze een cassettebandje van Iron Maiden uit het rek nam.
‘Het is uit.’
‘Alweer?’
Corey zuchtte laconiek en vroeg: ‘En jij? Heb jij nog geen vriendje?’
Lucy schudde verlegen haar hoofd en tuurde zonder te antwoorden door het raam naar buiten.
‘Waar kijk je naar?’
‘Het honkbalveld.’
‘Wat is daar te zien dan?’
‘Weet je nog dat ik je vorig jaar verteld heb over die man met zijn zak?’
Corey schudde met zijn hoofd. Hij kon het zich niet meer herinneren.
‘De nacht van Halloween. Ik kon niet slapen en was uit verveling door het raam aan het kijken. Opeens zag ik een oude man met een volle zak naar het honkbalveld gaan. Toen hij terugkwam was de zak leeg. Weet je nog?’
Het laatste nummer van het cassettebandje was ten einde en het werd stil in de kamer, zo stil dat je een naald kon horen vallen. Corey keek Lucy fronsend aan. Hij opende zijn mond, leek iets te willen zeggen, maar slikte zijn woorden terug in.
‘Je weet het echt niet meer, hè?’
‘Waarschijnlijk iemand die daar illegaal afval heeft gestort,’ zei hij uiteindelijk.
‘Denk je?’ vroeg Lucy.
Eigenlijk was ze teleurgesteld met die logische verklaring, maar het was waarschijnlijk de juiste.
‘Ik ben er bijna zeker van.’
‘Dan kan het vast geen kwaad als we even een kijkje nemen.’
‘Vast niet, maar wat hoop je daar dan te vinden? Het is immers al een jaar geleden.’
Lucy haalde haar schouders op en keek hem smekend aan.
‘Alsjeblieft?’ drong ze aan.
Corey zuchtte en zei: ‘Vooruit dan maar, ik heb toch niets beters te doen.’

Omdat moeder Foley haar wellicht niet zou toelaten om met een verkoudheid in de kille herfstlucht te lopen, had Lucy gewacht tot ze naar de supermarkt ging om samen met Corey het huis uit te glippen. Ze trokken de rits van hun jas tot aan hun kin en begaven zich naar het einde van de straat waar het honkbalveld lag. Sinds ze hier woonde had Lucy er nog nooit een wedstrijd zien spelen. Het was al jaren verlaten en op sommige plaatsen begon de houten omheining sporen van verval te vertonen. Ergens waar twee planken los zaten, besloot het tweetal om het terrein te betreden. Corey trok de planken achteruit waarbij het hout kraakte en de verroeste nagels miauwden als krolse katten. Lucy verwijderde een spinnenweb en wurmde zich door het gevormde gat naar binnen. Toen ook Corey even later door de omheining kroop, scheurde hij zijn jas aan een nagel die uit het hout stak.
‘Shit, mijn nieuwe jas.’
Hij inspecteerde de scheur die de grootte van een vuist had en vloekte nogmaals.
‘Ik heb hem nog maar een week, moeder zal woest zijn.’
Lucy voelde zich schuldig. Het was tenslotte door haar gezeur dat ze nu op een in mist gehuld terrein stonden waar geen levende ziel te bespeuren viel. Ze keek naar het rossige grasveld dat zich tientallen meters ver uitstrekte en waarschijnlijk nog verder, maar de mist belemmerde het zicht. Van de gebruikelijke kalklijnen op de grond was niets meer te bespeuren. Hier werd enkel nog honkbal gespeeld in vage herinneringen. Ergens waar ooit het werpvak geweest moest zijn, stond nu het geraamte van een oude vogelverschrikker. Zijn aanwezigheid slaagde er niet in om enkele krijsende kraaien af te schrikken.
Benieuwd naar welke geheimen er in het veld verborgen lagen, zette Lucy enkele passen voorwaarts.
‘Wacht op mij,’ riep Corey, die nog aan zijn jas stond te frutselen.
Op het moment dat hij Lucy had bijgehaald, blies een windvlaag de mist gedeeltelijk uiteen en doemde een reusachtige boom op ter hoogte van de derde honk. Lucy en Corey staarden met wijd opengesperde ogen naar de eik met de brede stam en wortels die over de grond kronkelden als pythons. Ze keken omhoog naar de takken; het leken net kromme dolken die sierlijk door de lucht kliefden. In de ban van deze verschijning zetten Lucy en haar buurjongen enkele stappen in zijn richting, tot ze onder zijn kale kruin stonden. Daar werden ze een enorme stank gewaar.
‘Bah, het ruikt hier naar rot vlees,’ zei Lucy, die haar neus dichtkneep ondanks het feit dat die verstopt was.
Corey deed hetzelfde en mompelde vol ontzag: ‘Ik wist niet eens dat hier een boom stond.’
Lucy knikte, te verwonderd om een woord over haar lippen te krijgen. Net als Corey kon ze zich deze boom niet herinneren, ook al fietste ze regelmatig langs het honkbalveld. Ze dacht aan de bomen in haar straat die met hun herfstkleuren pronkten en vroeg zich af waarom deze boom eruit zag alsof het diep winter was. Deze eik was de belichaming van het droevige decor waarin hij geboren was. Met haar neus nog steeds dichtgeknepen aaide Lucy over de ruwe schors. Toen schoot de reden van hun bezoek haar weer te binnen: de nachtwandelaar met zijn zak.
‘Nergens afval te zien,’ merkte ze op.
‘Wat zeg je?’ vroeg Corey, die op een van de takken geklommen was.
‘Dat ik nergens afval zie.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Wel, die man met zijn zak waar ik je over verteld heb. Je zei dat hij hier zijn afval kwam lozen.’
‘Nou en? Dat is toch al een jaar geleden.’
‘Mja…’
Corey sprong uit de boom en keek Lucy in de ogen.
‘Jij denkt te veel na,’ siste hij.
Ze zuchtte, maar was niet van plan om het zo snel op te geven.
‘Kom, laten we terugkeren, voor moeder ons betrapt. Als ze te weten komt dat ik je buiten gelaten heb terwijl je ziek bent, krijg ik flink op mijn donder.’
Met tegenzin liet Lucy zich terug naar de omheining begeleiden waar ze langs dezelfde weg als ze gekomen waren, terug naar huis gingen.

’s Namiddags was Lucy pompoenen aan het uitsnijden in de keuken toen plots de telefoon ging. Corey’s moeder nam op. Uit het gesprek kon Lucy afleiden dat haar moeder aan de andere kant van de lijn hing. Blijkbaar was ze overstuur, want mevrouw Foley probeerde haar de hele tijd gerust te stellen. Lucy deed haar best om het gesprek te volgen, maar kreeg slechts fragmenten mee. Had ze dat goed begrepen? Mocht ze de avond bij de Foleys doorbrengen?
‘Lucy, schatje, ik heb zojuist je mama aan de lijn gehad.’
‘Ja?’ vroeg Lucy nieuwsgierig.
‘Ze heeft gebeld om te zeggen dat ze pas morgen thuis zullen zijn.’
‘Oh?’
‘Blijkbaar hebben ze autopech en moeten ze de nacht doorbrengen in Santa Cruz. Tegen morgenvroeg zou de wagen hersteld zijn, daarna zullen ze onmiddellijk vertrekken.’
Op Lucy’s gezicht verscheen een glimlach die van oor tot oor reikte. Bij haar thuis werd Halloween nooit gevierd. Haar vader noemde het commerciële troep die door winkeliers was uitgevonden om ouders op kosten te jagen. Ze hoopte dat ze zich bij de Foleys wel zou mogen verkleden om op snoepjesjacht te gaan. Met veel enthousiasme hervatte ze haar snijwerk in de pompoen die ze van driehoekige ogen en een kwaadaardige grijns voorzag.
Haar enthousiasme werd echter getemperd toen Corey tijdens het avondeten stoer verkondigde dat hij de hele avond griezelfilms zou kijken op zijn kamer.
‘En daarbij, ik ben veel te oud geworden voor die onnozele verkleedpartijen,’ voegde hij eraan toe.
‘Het is trouwens veel te gevaarlijk met al die kinderen die jaarlijks op de avond van Halloween verdwijnen,’ repliceerde zijn moeder bezorgd. ‘Bovendien is Lucy nog altijd een beetje ziek, nietwaar schatje?’
Lucy knikte beteuterd, amper in staat om haar teleurstelling te verbergen. Ze viste een gehaktballetje uit de tomatensoep en stak het in haar mond. Ook dit jaar zou ze Halloween tussen vier muren moeten vieren.
Zoals hij had aangekondigd zat Corey die avond naar griezelfilms te kijken op zijn kamer. De anderen zaten in de woonkamer voor het televisiescherm. Vader Foley dronk een blikje bier, moeder Foley was druk aan het zappen en Lucy zat op de bank bij het raam. Ze keek naar buiten, op zoek naar verklede kinderen, maar zag niemand. De straat lag er doods bij. Blijkbaar hielden de verdwijningen het hele dorp in een angstgreep, want zelfs de zonen van Jeffrey Collins die heel het jaar door op straat rondhingen, waren nergens te zien. Diep vanbinnen wist Lucy dat de man die ze vorig jaar zo stiekem naar het honkbalveld had zien gaan, er iets mee te maken had. Ze nam zich voor om straks in de logeerkamer de wacht te houden bij het raam, want ze had een voorgevoel dat hij zou terugkomen.

Vele uren later stond Lucy nog altijd op uitkijk in de logeerkamer. Van hieruit kon ze haar eigen kamer aan de overkant zien. Het was zo laat dat alle lichten in de huizen reeds gedoofd waren. In de meeste tuinen flakkerden pompoenlichtjes en hoog in de hemel blonk de volle maan. Ze had geen idee hoelang ze hier al stond, maar haar benen deden pijn van het lange rechtstaan. Ook haar ogen kon ze nog maar met moeite openhouden. Als ze niet snel op bed zou gaan liggen, zou ze omver vallen van vermoeidheid. Stilaan begon ze haar geloof in zijn terugkomst te verliezen. Corey had waarschijnlijk gelijk, dacht ze. Echter, net op het moment dat ze de moed wilde opgeven, werd haar geduld beloond.
In haar ooghoek verscheen een schriele gedaante met een hoed. Haar vermoeden werd bevestigd: de nachtwandelaar was teruggekeerd! Ze voelde een siddering van opwinding in haar ingewanden. Net als vorig jaar droeg hij die grote zak op zijn schouder. Zonder met haar ogen te knipperen hield Lucy elke stap die hij zette nauwlettend in de gaten. Ook probeerde ze zijn gelaat te zien, maar dat was opnieuw gehuld in schaduw. Toen hij ter hoogte van haar eigen huis was, zag ze iets waardoor haar hart oversloeg.
De zak bewoog.
Gelijktijdig volgde een adrenalinestoot die door haar aderen stroomde. Haar benen begonnen te trillen, deels uit angst en deels uit opwinding. Iets in haar zei dat die man wat van plan was en dat zij de enige was die iets vermoedde.
Opeens, alsof hij wist dat ze hem aan het bespieden was, draaide hij zich om en keek haar richting uit. Lucy’s hart versteende. Het trillen in haar benen hield op, alsof haar spieren geknapt waren. Verstijfd over haar hele lichaam keek ze naar de man, niet in staat om zich aan zijn blik te onttrekken. Had hij haar gezien? Waarschijnlijk niet, want hij draaide zich meteen weer om en liep verder naar het honkbalveld. De zak bewoog nog een keer.
Zo snel als ze kon sprong Lucy in haar kleren en liep op de toppen van haar tenen naar de overloop. Daar sloop ze voorbij de open slaapkamer van Corey’s ouders waar vader Foley luid aan het snurken was. Ze probeerde om geen lawaai te maken, maar op sommige plaatsen kraakte de vloer bij de minste aanraking. Gelukkig kwam het luide gesnurk boven het gekraak uit. Eenmaal ze de kamer voorbij was, begaf ze zich naar die van Corey. De deur stond op een kier. Uit de kamer kwam een vaag licht dat afkomstig was van het televisiescherm. Ze stak haar hoofd naar binnen, keek naar de lichtbron en zag hoe de bemanning van een ruimteschip werd opgejaagd door een buitenaards wezen. Aan de andere kant van de slaapkamer hoorde ze de zware ademhaling van Corey die in een diepe slaap verwikkeld was. Het klokje naast zijn hoofd gaf twee uur drieëndertig aan.
‘Corey?’ fluisterde ze.
Corey draaide zijn hoofd en smakte met zijn mond, maar gaf verder geen reactie. Lucy schuifelde naar de rand van zijn bed en boog zich over hem.
‘Corey?’ zei ze nogmaals, terwijl ze zachtjes in zijn arm kneep.
Dit keer opende hij zijn ogen en keek haar verdwaasd aan.
‘Hè, Lucy? Wat doe jij hier?’
‘Snel, die man over wie ik je verteld heb is terug!’
‘Welke man?’
‘De man die met zijn zak naar het honkbalveld gaat. Er zit iets…’
‘Die sluikstorter?’ onderbrak Corey haar, wrijvend in zijn ogen.
‘Snel, kijk door het raam, dan zie je hem zelf. Er zit iets…’
‘Ach, wat kan mij dat nou schelen.’
‘Kom op Corey, kijk dan toch.’
Zuchtend stond Corey op. Hij wankelde naar het raam, schoof het gordijn opzij en keek naar buiten. De nachtwandelaar bevond zich nog net binnen zijn gezichtsveld.
‘Zie je hem?’
Corey kneep zijn ogen tot spleetjes en keek naar de zak. Plots deinsde hij achteruit.
‘Er zit iets in die zak…’ stotterde hij, ‘…iets levends.’
‘Dat probeer ik je nu al de hele tijd te vertellen. Zullen we hem volgen?’
Corey vermande zich, geeuwde en zei: ‘Waarschijnlijk iemand die van zijn huisdier af wil, dat hoor je zo vaak tegenwoordig.’
‘Dat geloof je toch zelf niet?’
Lucy’s vastberadenheid bracht hem aan het twijfelen. Hij liet zijn tong tegen de binnenkant van zijn wangen glijden en keek naar het televisiescherm waar het buitenaards wezen een bemanningslid in zijn klauwen hield.
‘Goed, we volgen hem… Op één voorwaarde.’
‘En dat is?’
‘Tot aan de omheining en niet verder.’
Lucy knikte en beet haar lip bijna stuk van de spanning. In haar buik zwol een kriebel aan, alsof er een zwerm pasgeboren vlinders in losgelaten werd. Terwijl Corey zijn kleren over zijn pyjama trok, begaf ze zich naar de overloop. Het gesnurk van vader Foley klonk nog even luid als daarnet. Toen Corey klaar was, slopen ze zo geruisloos mogelijk de trap af. Beneden in de hal deden ze hun schoenen en jas aan. Vlak voor ze de duisternis in gingen, keken ze elkaar in de ogen. Ze lazen zowel angst als opwinding in elkaars blikken. Uiteindelijk openden ze de voordeur, klaar om het geheim van de nachtwandelaar te onthullen.

Alle honden in de straat lagen in hun hok te slapen. Zelfs de anders zo waakzame labrador van Corey had geen zin om in de nacht van Halloween zijn taak te vervullen. Lucy en Corey zetten de achtervolging in op de nachtwandelaar die nog enkele tientallen meters van de omheining verwijderd was. Met hun jonge benen waren ze duidelijk sneller dan hem. Glippend van struik naar struik kwamen ze steeds dichter. Ze bleven zoveel mogelijk in de schaduwen om zichzelf niet te verraden, maar toen ze voorbij de tuin van de Collins’ liepen, slaakte een van hun drie katers een luide schreeuw. Ze schrokken zich rot en doken in een hulststruik, bang dat de man hen anders zou zien. Hij keek inderdaad achterom, een minuut lang, zonder te bewegen, maar ging toen weer verder.
Lucy en Corey zuchtten opgelucht. Ze wrikten zich los uit de struik en ontdeden zich van de scherpgerande bladeren die in de kraag van hun jas staken. Hun handen en wangen zaten vol schrammen, maar door de spanning voelden ze de pijn niet. Voorzichtig zetten ze de achtervolging opnieuw in.
Ze hadden een achterstand opgelopen. De man was al voorbij het laatste huis gegaan en begaf zich naar de losse planken in de omheining waarlangs Lucy en Corey eerder die dag waren binnengedrongen. Hij keek vluchtig achterom, haalde de zak van zijn schouder en duwde hem tussen de planken het terrein op. Daarna volgde hij zijn bagage.
Corey zette een spurt in zodat Lucy amper nog kon volgen. Haar bovenlip glinsterde van het snot en ze hijgde zo hard dat haar adem langgerekte wolkjes maakte in de koude lucht. Ook al kon ze hem nauwelijks bijhouden met haar kortere benen, ze beet op haar tanden en volgde haar buurjongen, net zolang tot ze hun doel bereikten.
Nu ze bij de omheining stonden, was er iets dat hen tegenhield om het veld in te kijken. Was het angst voor de waarheid?
‘En nu?’ vroeg Corey, die het zweet van zijn voorhoofd veegde.
Lucy zei niets. Ze keek hem aan met een blik die leek te zeggen dat de beslissing in zijn handen lag. Hij aarzelde even, maar trok uiteindelijk met trillende handen een plank opzij. Hoe voorzichtig hij dat ook deed, de plank kraakte alsof ze doormidden gebroken werd.
‘Shit, als hij ons maar niet gehoord heeft,’ fluisterde hij.
Gelukkig waren er net enkele kraaien met luid gekrijs overgevlogen die het gekraak overstemden. Alvorens een nieuwe poging te ondernemen, verwijderde hij enkele loszittende nagels waardoor hij de plank in zijn geheel uit de omheining kon nemen. Hij deed hetzelfde met de tweede plank zodat er een gat ontstond dat groot genoeg was om door te kruipen. Samen keken ze naar binnen. De mist, die het veld schijnbaar nooit verliet, was op dit moment zo dicht dat ze zelfs die droevige eik niet konden zien. Corey zette één voet op het gras.
‘Niet voorbij de omheining had je gezegd.’
‘Ik weet het,’ zei Corey, maar hij liet zijn voet staan.
Terwijl hij de rest van zijn lichaam door het gat wrong zei hij: ‘Maar als we willen weten wat er in die zak zit, hebben we geen keuze.’
De rollen waren nu omgedraaid. Het was Corey die haar moest overtuigen om het honkbalveld te betreden. Hij stak zijn arm uit naar haar. Ze beantwoordde zijn gebaar door haar hand in de zijne te leggen. Ze kneep erin. Nog nooit in haar leven was ze zo bang geweest als nu. Ze hoorde haar hart kloppen in haar trommelvliezen. Het liefst zou ze nu terugkeren en doen alsof ze die man met zijn zak nooit gezien had, maar nu ze zover waren, wilde ze geen gezichtsverlies leiden tegenover Corey. Zijn warme hand voelde fijn aan. Heel even voelde ze een aangename kriebel door haar onderbuik golven. Was het door de omstandigheden? Of was dit het gevoel van een eerste verliefdheid?
Corey trok haar mee de mist in, op weg naar de plaats waar ze overdag bij de boom hadden gestaan. Hun blik reikte amper een meter ver. Ze moesten vertrouwen op hun geheugen in plaats van hun zintuigen. Op het moment dat het gekrijs van de kraaien verstomde, klonk er verderop in het veld een geluid. Het leek op een rits die geopend werd.
‘De zak,’ fluisterde Lucy, ‘hij opent de zak.’
Voorzichtig slopen ze in de richting van het geluid. Het eerste wat ze zagen waren de kromme takken van de eik die door de mist golfden. Langzaam maar zeker werd de rest van het reusachtige silhouet zichtbaar: de stam, de woekerende wortels en de immense kruin. De maneschijn priemde door de mist als was het een toneelspot. In de lichtcirkel naast de eik stond de man, gebukt over zijn zak.
Tussen de mistbanken door konden Lucy en Corey zien hoe hij een gekneveld kind uit de zak haalde. Ze keken sprakeloos toe. Lucy’s hart begon steeds wilder te bonzen, haar greep rond Corey’s hand verstrakte. Met de andere hand bedekte ze haar mond opdat ze niet zou gillen. Ook haar buurjongen die zich daarnet nog zo moedig had getoond, stond nu als verlamd te kijken naar de bange blik in de ogen van het kind. Even leek het alsof dat arme jongetje hen gezien had en iets wilde roepen, maar de prop in zijn mond verhinderde dat. Gelukkig maar, dacht Corey, anders zou dat kind hen verraden en zou Lucy of hij de volgende zijn.
De nachtwandelaar hield het jongetje nu in zijn beide armen en liep op de eik af. Bij de stam hield hij halt en keek naar de kruin. Opeens liet hij het kind vallen. Het landde met een plof in de donkere aarde. Daarop zette hij zijn hoed af en begon iets te prevelen als iemand die een offer bracht aan een of andere god.
Onmiddellijk gebeurde er iets dat zelfs te absurd was voor de films die Corey de afgelopen avond had gekeken. De wortels van de eik begonnen een eigen leven te leiden en kronkelden als tentakels in de richting van het spartelende jongetje. Ze grepen hem bij zijn polsen en enkels en hielden hem treiterend in de lucht. Het jongetje, dat er blijkbaar in geslaagd was om de prop uit zijn mond te spuwen, uitte een gesmoorde schreeuw. Nog voor hij een tweede schreeuw kon uitbrengen, trokken de wortels hem onder de grond. Vanonder de omgewoelde aarde klonken allerlei afschuwelijke geluiden. Het leek wel een onweer vermengd met gedempt geschreeuw van iemand die gefolterd werd. Lucy en Corey hoorden nu het geluid van krakende botten. Het kind werd met huid en haar verslonden.
Al die tijd stond de oude man roerloos toe te kijken, alsof hij dit al vaker had gedaan. Opnieuw trachtte Lucy een glimp op te vangen van zijn gezicht. Ze vroeg zich af of het een man uit Clovis was. Echter, in plaats van een gezicht ontwaarde ze diezelfde pikzwarte schaduw. Na wat ze net had zien gebeuren, zou het haar niet verbazen als dit geen mens was, maar een monster.
Lucy en haar buurjongen waren erg dapper geweest – veel te dapper dan hen lief was – maar nu hadden ze genoeg gezien. Ze wilden zo snel mogelijk hier vandaan, weg van de man die de oude eik voedde met kinderen uit de buurt. Maar hun benen protesteerden. Hun voeten leken wel te zijn weggezakt in de grond. Ze konden niet anders dan dit macabere toneel aanschouwen tot het helemaal voorbij was. Het was zo gruwelijk dat ze vergaten hun ogen te sluiten.
Toen de geluiden uiteindelijk verstomden en de laatste overblijfselen van het kind verteerd waren, zette de man zijn hoed weer op. Hij sloot de zak, gooide hem over zijn schouders en ging terug naar de rand van het honkbalveld.
Doodsbang dat hij zich alsnog een keertje zou omdraaien, knepen Lucy en Corey in elkaars hand. Maar het monster draaide zich niet om, hij liep rechtdoor naar de omheining. Lucy kon wel wenen van opluchting.
‘Het gat!’ fluisterde Corey opeens.
Lucy keek in de doodsbange ogen van haar buurjongen. De spiertjes boven zijn jukbeenderen trilden.
‘Wat is er met dat gat?’
‘Als hij merkt dat die planken eruit zijn, dan weet hij dat iemand hem gevolgd is.’
Daar had ze nog niet aan gedacht, maar hij had gelijk. Corey had verdorie gelijk. Er was maar één manier om te vermijden dat ze ontmaskerd zouden worden en dat was om bij de omheining te geraken voor de man. Ze schatten hun kansen in. Helaas, hij was al te ver, dat zouden ze nooit halen. Als hij het gat in de omheining zou ontdekken, zaten ze als ratten gevangen tussen de muren van het honkbalveld.
Opeens hoorden ze gierende banden in de straat, daarna een doffe klap en het geluid van rinkelend metaal. Ze keken elkaar verbaasd aan en dan weer naar de schim. Tussen enkele mistbanken zagen ze hoe hij door het gat kroop en vluchtte. Was hij opgeschrikt door het plotse lawaai?
In de straat klonk luid gezang dat afkomstig was van een mannenstem. Lucy spitste haar oren.
‘Meneer Collins?’ dacht ze hardop.
Corey fronste zijn wenkbrauwen. De angst op zijn gezicht ebde zienderogen weg. Ook Lucy perste nu een glimlach uit haar gelaatsspieren. Ze liepen naar het gat, kropen erdoor en controleerden of het monster weg was, of het hen niet stiekem opwachtte achter de planken om hen aan de boom te offeren. Dat bleek gelukkig niet het geval te zijn. Er was geen spoor meer van hem te bekennen.
Meteen liepen ze de straat op waar ze een dronken meneer Collins aantroffen. Blijkbaar was hij tegen enkele vuilnisbakken gereden en stond hij dit nu te vieren, dansend op het dak van zijn wagen met een flesje bier in zijn hand. Uitgerekend hij had hen met zijn kabaal uit de klauwen van dat monster gered. Nu kwam het erop aan om hun ouders te overtuigen van wat er gebeurd was zonder dat hun verhaal werd afgewimpeld als fantasie.

Het had Lucy heel wat moeite gekost, maar na lang zeuren had ze haar ouders toch zover gekregen dat ze haar volgden naar het honkbalveld. Gefronste wenkbrauwen waren hun eerste reactie toen ze het onsamenhangende verhaal hoorden. Pas nadat Corey de feiten had bevestigd en de gruwelijke gebeurtenissen tot in de kleinste details had naverteld, begonnen hun twijfels te verbrokkelen. Was het niet door de wanhoop op de gezichten van de kinderen, dan wel uit gewetenswroeging omwille van wat er met William gebeurd was.
Vader Feldman, die een kettingzaag in zijn bevende handen hield, stapte aarzelend naar de kolossale eik. Uit zijn ogen vloeiden tranen.
‘Eindelijk begin ik het allemaal te begrijpen,’ mompelde hij, ‘na al die jaren.’
‘Wat bedoel je, papa?’
‘William...’
Lucy keek naar de treurige gezichten van haar ouders. Het uitspreken van zijn naam bezorgde hen duidelijk nog veel verdriet. Ze hadden haar nooit verteld wat er precies met hem gebeurd was. Hoewel ze haar grote broer nooit gekend had, kon ze diep binnenin wel voelen hoe ze hem miste. Dit jaar zou hij eenentwintig geworden zijn.
‘Wat is er met William gebeurd, papa?’
Het was haar moeder die snikkend antwoordde: ‘William is op zijn zesde verdwenen terwijl hij op snoepjesjacht was met Halloween. Ontvoerd, net als die andere kinderen uit de buurt. De politie heeft nooit geweten wie of wat er achter hun verdwijningen zat, maar jij en Corey hebben na al die jaren het raadsel opgelost.’
‘Het is onze eigen fout,’ repliceerde Lucy’s vader, terwijl hij de kettingzaag met een ronkend geluid in werking trok.
‘Wat bedoelt papa?’
‘Dat de inwoners van Clovis het voorstel om het bos dat hier ooit stond om te kappen, nooit hadden mogen steunen.’
‘Het bos omkappen zodat de inwoners van Clovis hier konden honkballen?’ vroeg Corey.
‘Precies, en samen met het bos werd ook het huis van meneer Fitzgerald met de grond gelijk gemaakt, omdat het in de weg stond. De oude man heeft daardoor zijn intrek moeten nemen in het rusthuis.’
‘En ironisch genoeg heeft dit veld amper een jaar dienst gedaan, zodat al die problemen voor niets zijn geweest,’ mopperde Lucy’s vader.
‘Zou meneer Fitzgerald…’
‘Al die kinderen ontvoerd hebben? Ik vrees het wel, schatje.’
‘Om wraak te nemen op alle inwoners die dat voorstel gesteund hebben?’
Het kabaal van de kettingzaag overstemde Lucy’s vraag. Haar vader zette het ratelende metaal tegen de boomschors. Langzaam maar zeker verdween het lemmet met een snerpend geluid in de stam. Op hetzelfde moment vervaagde de mist waardoor de blauwe ochtendhemel helemaal zichtbaar werd. Na enkele minuten begon de kolossale eik te kraken. Zijn takken wiebelden heen en weer.
Corey nam Lucy bij haar hand en trok haar achteruit zodat ze op een veilige afstand stonden. Ze keken naar elkaar en hij gaf haar een kus op de wang. Lucy bloosde. Uiteindelijk viel de boom met een oorverdovende dreun tegen de vlakte. Zijn rijk was uit. Nooit zou hij nog kinderen uit de buurt verslinden en weldra zou meneer Fitzgerald gearresteerd worden door de politie.
Lucy was nog onder de indruk van de kracht waarmee de boom tegen de grond was gevallen, toen ze iets zag bij het overgebleven stukje boomstam. Ze wilde Corey en haar ouders hiervan op de hoogte brengen, maar haar stembanden weigerden elke medewerking. Daarom stak ze haar arm uit en wees voor zich uit opdat ze zouden zien wat zij zag. Ze keken nu allemaal vol ongeloof naar het lint van gloeiende vlekken dat uit de boomstam ontsnapte. Alsof het ballonnen waren dwarrelden ze door het luchtruim.
‘Kijk,’ zei Lucy, die haar stem had teruggevonden, ‘het zijn de zielen van alle kinderen die ooit verdwenen zijn.’
Hoewel er nog steeds tranen over hun wangen rolden, glimlachten haar ouders.
‘Waarom glimlachen jullie, mama?’
‘Omdat William eindelijk vrijgelaten wordt en op weg is naar een betere plaats.’
‘De hemel?’
Haar moeder knikte. Op dat moment verliet een van de zielen de anderen en zweefde in de richting van de Feldmans. Enkele meters boven hun hoofden bleef ze hangen, alsof ze hen iets wilde zeggen.
Met haar vrije hand wuifde Lucy naar de kinderziel.
‘Vaarwel grote broer,’ fluisterde ze.
Ze kreeg een warm gevoel vanbinnen. Toen ook haar ouders afscheid hadden genomen van haar grote broer, sloot de ziel terug aan bij de rest om voor een tweede keer uit hun leven te verdwijnen.

0 reacties:

Een reactie plaatsen