Het was een bloedhete namiddag in augustus. Al zeven jaar lang zat Benjamin samen met enkele van zijn trouwe soldaten vast in het strafkamp van Elsiboth, een woestijndorpje waar sinds mensenheugenis zwoele zandstormen en brandende zonnestralen regeerden. Hij was het zwoegen op de zandvlakte meer dan beu. Na al die jaren in het strafkamp had hij een bloedhekel gekregen aan de ketting rond zijn enkel en aan zijn vermoeiende dagtaak. Rotsen aan puin slaan was geen werk voor een idealist zoals hij.
‘Benjamin, gooi dat houweel even aan de kant!’
Het was dokter Heinze. Benjamin zag hoe de oude man hem van boven zijn te kleine zonnebril aankeek. Hij klauterde door het zand naar diens jeep, net zover tot de ketting om zijn enkel strak gespannen stond. Met een nonchalante armbeweging klopte hij het stof van zijn hoed en stak zijn hoofd door het raampje naar binnen.
‘Airco, jij gelukzak.’
‘Hier pak aan,’ zei Heinze, en hij gaf Benjamin een bekertje ijskoud water.
In tegenstelling tot de gevangenisbewakers van Elsiboth stroomde er door Dokter Heinze’s aders nog een druppeltje menslievendheid. Zolang Benjamin door hem in bescherming genomen werd, had hij weinig te vrezen. Hij had geen last van de bewakers, of de varkens, zoals de gevangenen hen noemden. Hij bleef gespaard van hun dagelijkse routine van mishandeling, zeker nu ze zich al een tijdje gedeisd hielden wegens de recente zelfmoord van Percy Ludik.
‘Hoe voel je je vandaag, jongen?’
Benjamin beantwoordde Heinze’s bezorgdheid met een zucht. Hij voelde zich ellendig, net zoals de voorbije dagen, weken, maanden en jaren. Ook al was hij een harde, hij besefte maar al te goed dat een ticket naar het strafkamp van Elsiboth slechts enkel was.
‘Hoe lang zit je hier nu al?’
‘Zes jaar, elf maanden en dertien dagen, meneer.’
Benjamin had de tel bijgehouden door streepjes in de kalkmuur van zijn cel te kerven. In al die jaren had hij er niet eentje overgeslagen.
‘En hoe lang moet je nog?’
‘Tot ik sterf…’
‘Luister Benjamin, het hoeft voor jou niet zo slecht af te lopen als voor de anderen, of als voor arme Percy.’
‘Wat bedoel je precies?’
‘Ik weet misschien een manier om je hier weg te krijgen.’
‘Waar heb je het over?’ vroeg Benjamin nieuwsgierig. Zijn hart sloeg over van opwinding.
‘Straks na het avondmaal. Ik zal je opwachten bij het buitengaan van de eetzaal. Nu moet ik gaan.’
De Jeep van Heinze sneed door het zand en liet Benjamin achter in een droge stofwolk. Kuchend strompelde hij terug naar de steengroeve waar hij het werk hervatte, maar de woorden van Heinze hadden ervoor gezorgd dat hij zich nog moeilijk kon concentreren. Het harmonieuze ritme van de pikhouwelen klonk als een galmende gong in zijn hoofd. Het duurde niet lang of Seydlitz, de gevreesde bewaker van vleugel B, kreeg zijn getalm in de gaten. Benjamin zag de kale knikker in zijn richting draaien, alsof hij een dirigent was die bij de minste verstoring van zijn orkest de falende muzikant op de vingers wilde tikken. Zijn wangen liepen rood aan van woede.
Benjamin durfde het aan om hem in de ogen te kijken. Hij verwachtte een scheldtirade, maar die bleef uit. Zijn goede verstandhouding met de hoger geplaatste dokter Heinze kwam hem eens te meer van pas. Seydlitz richtte zijn woede op een andere gevangene door hem toe te schreeuwen dat zijn ritme de hoogte in moest.
Om klokslag vijf uur werden de afgepeigerde gevangenen door de grijnzende Seydlitz de steengroeve uitgeleid. Allemaal gingen ze aan boord van de gammele vrachtwagen die hen met ronkende motor bovenop een duin stond op te wachten. Met trage halen gleed het vehikel door het zand over de duinen. Na twintig minuten door elkaar geschud te worden in de laadbak, kwamen ze aan bij de vleugel B van het gevangenisgebouw.
Benjamin kneep zijn ogen toe voor de weerkaatsing van de zon op de pas gewitte muren. Omdat Elsiboth aan het begin van de volgende maand belangrijk bezoek kreeg uit de naburige landen, was men het gevangeniscomplex aan het opknappen. Een delegatie van wereldverbeteraars wilde de toestand van de gevangenissen inspecteren. Bij eventuele onregelmatigheden konden economische en politieke sancties wel eens de consequentie zijn; consequenties die Swartbooi, al meer dan twintig jaar directeur van Elsiboth, kost wat kost wilde vermijden. Hem kennende had hij al een hoop mooie praatjes voorzien om de gezanten uit het buurland mee in te pakken. De witte muren zouden de rest wel doen.
Terwijl hij in de bedrukte refter zat, spookten de woorden van Heinze de hele tijd door Benjamins hoofd. Hij kreeg geen hap naar binnen, ook al had hij honger als een paard. Hij gaf zijn maaltijd weg aan Djimoun. De gespierde reus bedankte hem hiervoor en begon meteen te peuzelen aan de bout van een of ander dier. Alleen zijn glas water hield Benjamin voor zichzelf. Hij dronk het tot de bodem leeg met kleine slokjes die hij regelmatig onderbrak met een rusteloze blik die door de eetzaal dwaalde; van de muren naar de tafels, van zijn gulzige medegevangenen naar de grijnzende bewakers, tot een van hen met een bel rammelde.
Het avondmaal zat erop. Alle gevangenen legden hun bestek neer en stonden op. Een oude man die over Benjamin zat propte nog snel wat rijstkorrels achter zijn tanden en werd daarvoor bestraft met een flinke oorvijg. Meteen daarop ontstond er herrie in de eetzaal. Er werd geduwd en getrokken, geroepen en gescholden. Benjamin hield zich afzijdig. Hij wachtte tot de herrie voorbij was en er rijen gevormd werden om naar buiten te gaan. Toen de rust eindelijk terugkeerde, slaagde hij erin om over de hoofden van de gevangenen naar de uitgang van de eetzaal te kijken. In het deurgat herkende hij de getrimde grijze haren van dokter Heinze. Ze blonken in het felle licht van de avondzon die door de verschillende venstergaten naar binnen scheen. Naast hem stond Shivute, een bewaker die nog maar enkele weken in dienst was.
Van de andere gevangenen had Benjamin gehoord dat Shivute degene was die in zijn eerste week het lijk van Percy Ludik gevonden had. Het was op een bloedhete ochtend. De nacht had amper verkoeling gebracht en het betonnen gevangenisgebouw kreunde onder de hitte. Tijdens Shivute’s ochtendronde ontbrak Percy op het appel. Volgens de geruchten had hij een oorverdovende gil geslaakt toen hij door de tralies naar binnen gluurde; de gil van een groentje dat voor het eerst een dode ziet. In de muffe cel lag een ineengekrompen lap vlees waaruit al het leven weggetrokken was. Al snel werd er gefluisterd dat Percy zichzelf had opgehangen met een reep stof die hij van zijn lakens had afgescheurd. Hij had hem naar het schijnt zo strak rond zijn nek gebonden, dat zijn gezicht er blauw van geworden was. Het was duidelijk: eenmaal je in Elsiboth kwam, was je leven voorbij, en tegen die wetenschap was de piepjonge Percy duidelijk niet opgewassen.
Benjamin liep naar het deurgat waar dokter Heinze die zenuwachtig heen en weer liep.
‘Dokter?’
Benjamin keek naar Heinze en dan naar Shivute. Die laatste nam een paar handboeien uit zijn gordel en deed ze rond zijn polsen. Daarna werd hij door de gangen van het gebouw geloodst, gevolgd door Heinze. Ze hielden halt bij het kantoor van directeur Swartbooi. Benjamin was er in al zijn tijd in Elsiboth welgeteld één keer geweest, namelijk bij zijn aankomst. Hij had toen van Swartbooi in hoogsteigen persoon te horen gekregen dat binnen de muren van Elsiboth andere wetten golden dan daarbuiten. Wat dat precies betekende, zou hij nog wel ondervinden, zo had de directeur hem toegesnauwd.
Heinze klopte tweemaal kort op de deur.
‘Kom binnen,’ gebood een hese stem.
Swartbooi zat achter een mahoniehouten bureau met een kop koffie. Zijn kantoor was in al die jaren geen haar veranderd. Het was er nog even proper en ordelijk als bij Benjamins eerste bezoek. Nergens lagen rondslingerende documenten of was er een stofvlok te bespeuren. Op enkele foto’s die aan de muur hingen na, was het interieur kaal. Een foto van Swartbooi met een reusachtige slagtand in zijn armen had de voornaamste plaats in zijn kantoor gekregen: aan de muur achter het bureau.
Swartbooi knikte naar Shivute waarop die Benjamins boeien losmaakte en het kantoor verliet. Heinze nam plaats op een van de stoelen aan het bureau, Benjamin bleef rechtop staan.
‘Benjamin.’
‘Ja, meneer?’
‘Als ik Heinze mag geloven, kijken de andere gevangenen naar je op. Is dat zo?’ Nog voor Benjamin kon antwoorden ging hij verder. ‘Luister, je verleden interesseert me geen zier. Ik heb je naar hier geroepen omdat ik een opdracht voor je heb.’
Benjamin wist maar al te goed dat Swartbooi uitstekend op de hoogte was van zijn criminele verleden. Net zoals bij de andere gevangenen had hij het waarschijnlijk als een ijverige student uit het hoofd geleerd. Hij durfde er vergif op in te nemen dat de datum van zijn laatste wapenfeit als rebellenleider, het opblazen van een boorplatform nabij de kust van zijn geboortedorp, in kleur gemarkeerd was in zijn dossier. De aanslag was Benjamins antwoord op de toenemende oliekoorts, het kapitalistische venijn waar de rijken van profiteerden en waar zijn dorpsgenoten het slachtoffer van waren. Toch had al het menselijk leed hem slechts half zoveel tranen bezorgd als het wegkwijnen van zijn geliefde oceaan onder de talloze lozingen van het zwarte goud.
‘Een opdracht, meneer?’ vroeg Benjamin, zijn wenkbrauwen fronsend.
Swartbooi bekeek hem met een strakke blik en frommelde aan zijn donkerblauwe das. Hij dronk van zijn koffie en kuchte. Even leek het of hij niet meer wist hoe hij zijn stembanden moest gebruiken. Hij gebaarde naar Heinze opdat die het woord van hem zou overnemen.
‘In het kader van het hoogwaardig bezoek zullen enkele gevangenen uitgeleverd worden,’ zei de dokter tot Benjamin. ‘Over een paar dagen vertrekt er een konvooi naar de grens.’
‘Daar heb ik iets over gehoord ja, maar waar pas ik in dit verhaal?’
‘De gevangenen die uitgeleverd worden zijn bang om die bus in te gaan.’
‘Bang? Waarvoor?’
Heinze keek naar Swartbooi die onwetend zijn schouders ophaalde als een slechte toneelacteur. Er viel een stilte in Swartboois kantoor. Het enige geluid was afkomstig van een zoemende ventilator. Benjamin was de eerste die de stilte doorbrak.
‘Waarom ik?’
Swartbooi schraapte zijn keel, snoof de dansende koffiedamp op en nam opnieuw het woord. ‘Luister Benjamin, ik kan mij geen knoeiboel veroorloven, zeker niet op dit moment. Ik wil niet dat het transport uit de hand loopt en jij zult mij daarbij helpen.’
‘Hoezo, meneer?’
‘Je schijnt veel respect te genieten binnen deze muren. Vele van je medegevangen kennen jou lang van voor ze naar Elsiboth gebracht werden. Ze vertrouwen jou. Jouw taak is om hen tijdens de transfer te vergezellen zodat ze geen herrie schoppen.’
‘Wat zit er voor mij in?’ vroeg Benjamin.
‘Kijk, het is erg belangrijk voor de relaties met onze buurlanden dat de uitlevering plaatsvindt. Ik ben bereid daarvoor een prijs te betalen, ook al is het niet van harte.
‘Welke prijs?’ wilde Benjamin weten.
‘Als jij er samen met de bewakers voor zorgt dat de jongens kalm blijven tot aan de grens, dan…’ Hij nap opnieuw een slokje van zijn koffie en veegde zijn bezwete voorhoofd droog met een zakdoek. ‘…dan kunnen we praten over strafvermindering.’
‘Dan kan je misschien ooit terug de geur van de oceaan opsnuiven,’ voegde Heinze eraan toe.
De oceaan was Benjamins grootste gemis. Meer nog dan de bron van inkomsten voor zijn dorpsgenoten, was ze volgens Benjamin de plaats waar zijn leven begonnen was en waar het moest eindigen. Hij wilde zijn liefde doodgraag terugzien, ook al betekende dat een helse toch door de woestijn.
‘Ik doe het,’ zei Benjamin vastbesloten.
Twee dagen later. Enkele uren voor het vertrek van het konvooi gierden de zenuwen tussen de gevangenismuren van vleugel B. Het was klokslag zes uur ’s ochtends toen zes bewakers in het licht van de oranjekleurige zonsopgang naar binnen stapten. Met een kordate duw zwaaiden ze de deuren open. Ze waren gekomen om de reisgezellen een voor een uit hun cel te halen. Luidruchtig gejoel weerkaatste tussen de vale muren. Benjamin keek langs de tralies de gang in. Bij het betreden van het cellenblok lachte de onvermijdelijke Seydlitz zijn tanden bloot. Hij ratelde met zijn knuppel langs het traliewerk van de celkamers en jutte zo de gevangenen op.
Na verschillende gevangenen met veel geweld naar buiten te hebben gebracht – alsof ze hun laatste kans om ze te jennen niet onbenut wilden laten – hielden de bewakers halt bij de cel tegenover die van Benjamin. Ze bespaarden hem een afranseling en brachten hem net als de andere gevangenen naar het binnenplein. Daar werden ze opgewacht door een roestige autobus die met ronkende motor stond te sputteren. Aan het stuur zat een oude man zenuwachtig met zijn vingers op het stuur te trommelen.
Benjamin voelde de zenuwuiteinden over zijn ganse lichaam tintelen. Hij was opgewonden omdat er na al die jaren van afzondering eindelijk iets gebeurde. Nog meer was hij dankbaar voor de kans dat hij de oceaan mocht weerzien voor hij stierf tussen de gewitte muren van Elsiboth. Terwijl de gevangenen een voor een vastgesnoerd werden in de bus, kwam Heinze naar hem toe gelopen.
‘Benjamin, voor je die bus opstapt wil ik dat je weet dat je een keuze hebt.’
Benjamin fronste zijn wenkbrauwen en keek Heinze achterdochtig aan.
‘Toen ik zei dat de gevangenen bang zijn om die bus op te gaan, heb ik je niet alles verteld. Dat was moeilijk in het bijzijn van Swartbooi, dat begrijp je wel.’
‘Ik dacht al zoiets toen ik die linke smoel van hem zag.’
‘Jongen, herinner jij je nog wat er in 1991 gebeurd is met dat gevangenentransport naar de grensstreek?’
‘Dat was vlak voor mijn komst in Elsiboth.’ Benjamin streek peinzend door zijn baard.
‘In mijn beginjaren deed het gerucht hier de ronde dat een konvooi van tien gevangenen spoorloos verdwenen is in Karikarubu. Heb je het daarover?’
‘Dertien om precies te zijn. En niet spoorloos verdwenen, maar afgeslacht.’
‘Afgeslacht?’ vroeg Benjamin ontsteld.
‘Officieel zijn ze inderdaad spoorloos verdwenen, maar de waarheid is dat ze genadeloos werden afgeslacht door… tja, door wat eigenlijk…?’
Heinze krabde over zijn kruin.
‘Door rebellen?’
‘Nee, geen rebellen. Daarvoor waren ze te hard toegetakeld. Ze waren gestroopt, beroofd van hun ogen, hun tong en hun ingewanden. Het enige wat van hen overbleef waren hun verbrokkelde skeletten, alsof ze tot de laatste druppel waren leeggedronken door… iets.’
Een poos lang bleef het stil.
‘Alleen de bestuurder heeft het overleefd,’ ging Heinze uiteindelijk verder, ‘maar toen ze hem vonden was hij helemaal krankjorum geworden. Op de terugweg deed hij niets anders dan over een zwarte amulet wrijven die hij ter hoogte van Kinkela uit het raam gooide. Uiteindelijk is hij in een instelling beland.’
‘En dit keer rijdt de bus natuurlijk weer door dat verdomde niemandsland,’ concludeerde Benjamin.
Heinze zuchtte. Hij had nog steeds moeite om de slachtpartij te bevatten. ‘Ik vrees van wel ja, het is nu eenmaal de snelste route. Maar je hebt een keuze. Nu kan je nog terug.’
‘Jij gelooft toch niet dat dit keer zich hetzelfde bloedbad zal afspelen?’
‘Ik geloof niets. Ik wil alleen dat je de waarheid kent, zodat je voor jezelf de juiste beslissing kan nemen.’
Benjamin waardeerde Heinze’s bezorgdheid, ook al had hij moeite om het verhaal te geloven. Hij was vastbesloten de kans op strafvermindering met beide handen te grijpen. De kans mislopen om de oceaan terug te zien zou hij zichzelf nooit vergeven. Hij nam afscheid van Heinze en stapte de bus in, gevolgd door Seydlitz en het groentje Shivute die het konvooi begeleidden.
Omstreeks zeven uur schokte de autobus weg van het binnenplein, over een smalle zandweg die in het zuiden met de horizon versmolt. Er wachtte het konvooi een loodzware rit over de woestijnvlakte die, kreunend onder de langdurige droogte, hunkerde naar het regenseizoen. De weg tot aan de grens bestreek zo’n slordige vijfhonderd kilometer. Voor ze de grens zouden bereiken, moest het konvooi door Karikarubu, een naam die al jaren taboe was binnen de muren van Elsiboth.
Tijdens het grootste deel van de voormiddag slingerde de autobus over een door rood zand gevormde weg. Langs beide kanten van de weg strekten zich golvende zandzeeën uit tot aan de horizon. Her en der snakten gelige savannestruiken naar de eerste regendruppels, net als de bevolking.
Met grote ogen keek Benjamin door het stoffige raam naar buiten. Na al die jaren van afzondering kon hij eindelijk weer een glimp opvangen van de wereld buiten Elsiboth. Heel even vergat hij Heinze’s waarschuwing en keek hij dankbaar naar het landschap dat naar het zuiden toe steeds mooier werd.
Na een honderdtal kilometer gingen de grillige bochten langzaam over in een kaarsrechte lijn. Het was bij die verandering dat Benjamin zag hoe in de verte het rode zand plaats maakte voor witgrijze duinen. Ze waren egaal en zacht, als gigantische zijden lakens die door een bries op de wolkenloze lucht dreven. De wapperende planten die er uit het zand rezen wezen op vruchtbare grond.
Ongeveer een kwartier later naderde de bus het kleurrijke gebied. De bestuurder wrong zijn wrak tussen de witgrijze duinen naar de oase. Benjamin trok zijn kettingen strak en drukte zijn bezwete neus tegen het raam. Hij vergat te ademen bij het zien van een hemelsblauw meertje dat flikkerde als een duur juweel. Met open mond keek hij toe hoe het milde briesje de zonneglinsteringen op het water omtoverde tot een fonkelende caleidoscoop. De andere gevangen bleken evenzeer onder de indruk als hij, want het was opeens muisstil in de bus. Lang duurde die stilte echter niet.
Op het moment dat de bestuurder om een duin draaide, verdween de oase langzaam uit het zicht.
‘Stop! Laat ons even van dit geweldige uitzicht genieten!’ smeekte iemand.
Het was Amathila, een oude man die al meer dan drieëntwintig jaar Elsiboth achter de rug had. Mbaha maakte aanstalten om te stoppen.
‘Zwijgen jij, ouwe klootzak!’schreeuwde Seydlitz. De woorden schoten uit zijn mond als roestige kogels uit een oud pistool. ‘En dat geldt voor iedereen,’ voegde hij eraan toe.
Hij nam opnieuw plaats naast Shivute die onrustig op zijn stoel zat te wriemelen. Benjamin kon nog net horen hoe de bewaker het groentje toesprak.
‘Kom op Joel, verman jezelf . De jongens speelden maar een spelletje met jou, weet je wel, omdat je een groentje bent. Je gelooft die legende van Karikarubu toch niet echt?’
‘Hoe zeiden ze het ook alweer,’ stotterde Shivute, ‘dat één keer om de tien jaar de hemel boven Karikarubu mensenoffers opeist in ruil voor regen?’
‘Ach kom, jij gelooft die onzin toch niet? We zijn bijna halfweg. Straks gaan we met een grote smak geld naar huis en dan kan je eindelijk die mooie ring kopen voor je hartendief,’ schaterde Seydlitz.
Shivute beantwoordde die spottende opmerking met een zuur lachje. Daarna wreef hij het zweet van zijn voorhoofd en klemde zijn hand om de armleuning. Met de andere hand sloeg hij een kruisteken.
Rond het middaguur naderde het konvooi Kinkela, een dorpje op zo’n slordige twee kilometer van de kust. Beige barakken met platte daken stonden er verspreid in het rulle zand. In de kozijnen stonden enkel nog wat scherven overeind en binnenin de gebouwtjes hadden zich zandheuveltjes opgestapeld.
Benjamin keek naar buiten en zag hoe Kinkela ten prooi gevallen waren aan een woeste zandstorm. Zo te zien waren de bewoners op de vlucht geslagen. Aan de onheilspellende toestand in het dorp voelde hij, of dacht hij te voelen, dat Karikarubu niet meer veraf was. Hij had er geen rekening mee gehouden dat die wetenschap hem angst zou inboezemen. Wat als die legende waarover Shivute daarstraks met bevende stem sprak toch waar zou zijn? Het was vandaag per slot van rekening exact tien jaar geleden dat het konvooi spoorloos verdwenen was.
Even flirtte Benjamin in gedachten met een ontsnappingspoging. Kon hij dat risico wel nemen? Er was hem immers strafvermindering beloofd. Bij een mislukte ontsnappingspoging zou die belofte ongetwijfeld verbroken worden. Bovendien was hij natuurlijk nog altijd geboeid aan handen en voeten. Hij keek schichtig rond in de bus en merkte hoe ook Seydlitz stilaan nerveus werd van het spookdorp. De bewaker liep zuchtend naar voren waar hij de bestuurder met een handgebaar aanmaande om een versnelling hoger te schakelen.
Bij het uitrijden van het Kinkela passeerde de bus een zwart kerkgebouw dat Benjamins aandacht trok. Op het moment dat hij zich draaide om het gebouw beter te kunnen bekijken, dook er plots een schriel mannetje op bij het raam. Benjamin veerde recht uit zijn stoel – waardoor de kettingen zich in zijn enkels groeven – en slaakte een kreet. Het mannetje kwam op de afdraaiende autobus afgestoven en timmerde als een gek met zijn vuistjes tegen het koetswerk.
Er ontstond paniek in de bus. Door de herrie vergiste de bestuurder zich van pedaal en gooide per ongeluk alle remmen dicht. Piepend en kreunend kwam het vehikel tot stilstand. Benjamin kon nog net zien hoe het zwarte mannetje rond de bus naar het portier huppelde. Zijn doffe kroezelhaar zat vol zandkorrels en rond zijn tengere lichaam zaten vuile lompen gewikkeld. Aan de blinkende edelstenen rond zijn vingers dacht Benjamin in hem een voodoopriester te herkennen.
Ook Seydlitz had de priester in de gaten en nam zijn revolver uit zijn gordel. Toen het mannetje bij de busingang stond, opende hij de deur en duwde hij de loop in diens gezicht.
‘Wat wil je?’ snauwde hij hem toe.
De priester ging op zijn knieën zitten en begon wat te brabbelen. Hij richtte zich daarbij afwisselend naar de hemel en naar de gevangenen. Het leek alsof hij hen voor iets wilde waarschuwen, maar zijn hysterische woorden waren onverstaanbaar.
Benjamin volgde nauwgezet wat er bij het portier gebeurde. Verbaasd keek hij naar de priester en aanhoorde zijn kabaal. Wanneer de tirade eindelijk gedaan was, maakte het mannetje smekende gebaren naar Seydlitz om op de bus te mogen. Zonder iets te zeggen gaf de norse bewaker hem een trap tegen de borstkas waarop de priester met een doffe klap in het zand viel. Meteen daarna ontstond er geschreeuw in de bus.
‘Laat hem erin!’ klonk het van verschillende kanten. ‘Laat hem er godverdomme in!’
Seydlitz draaide zich kwaad om en richtte zijn revolver op de gevangenen. Om zijn lippen zat een randje schuim van woede.
‘Als jullie niet zwijgen, pomp ik jullie vol lood. En geloof mij, er is genoeg voor iedereen.’
Het gejoel verstomde en Seydlitz liet zijn revolver weer zakken. Benjamin durfde het aan om de schuimbekkende bewaker iets toe te fluisteren.
‘Begrijp je het dan niet Seydlitz? Die jongens zijn allemaal bijgelovig.’
‘Wat dan nog? Je gaat me toch niet vertellen dat jij ook in die flauwekul gelooft?’
‘Wat ik geloof doet er niet toe, maar met zo’n voodoopriester in hun bijzijn geloven ze dat hen niets kan overkomen.’
Seydlitz tuitte zijn lippen. Hij wist dat Benjamin gelijk had, maar hij had niet veel zin om een charlatan de bus op te laten. Hij woog de voordelen af tegen de nadelen en liet daarbij zijn tong over zijn tanden glijden.
‘Goed, maar één verkeerde beweging en ik stamp hem persoonlijk de bus uit.’
Daarna fouilleerde Seydlitz de priester en ondervroeg hem over wat er met Kinkela aan de hand was. Het mannetje kon alleen maar met zijn hoofd schudden aangezien hij het antwoord niet kende; of niet wilde vertellen. Na de fouillering nam hij plaats naast Benjamin en fluisterde iets in zijn oor.
‘Vandaag gaat het regenen.’
‘Wat bedoel je precies?’
‘Mensen zullen sterven in ruil voor de regen.’
De bus was al vijftig kilometer buiten Kinkela toen de voodoopriester maniakaal met zijn duim over een gitzwarte amulet die rond zijn hals hing begon te wrijven. Hij drukte zijn lippen daarbij strak op elkaar en keek als bezeten naar de hemel. Benjamin richtte zijn aandacht op de priester, zijn neurotische gebaren en de amulet. Hij dacht meteen terug aan Heinze’s verhaal over de gruwelen van 1987 en aan de enige overlevende: de chauffeur en zijn amulet. Aan de verafgoding van de voodoopriester voor het zwarte voorwerp te zien, moest het wel een talisman zijn.
Plots hoorde hij de priester een resem onverstaanbare woorden prevelen. Het leek alsof hij een oude taal sprak; een taal die al lang niet meer gebruikt werd; een taal die alleen nog maar gesproken werd door voodoopriesters, en dan nog enkel tijdens bepaalde rituelen. Benjamin begreep er geen sikkepit van, maar het ritme en de intonatie van de woordenstorm klonk als een gebed.
‘Wat zegt hij Benjamin?’ brulde Djimoun van op de achterste bank. Hij trok de twee kettingen waarmee hij in de bodem vastgesnoerd was strak en leunde voorover.
‘Geen idee, ik versta er geen letter van.’
‘Bekken dicht!’ Seydlitz draaide zich om en tastte waarschuwend naar zijn knuppel. De voodoopriester schrok en slikte zijn laatste woorden in. Nadat Seydlitz weer ging zitten, boog het oude mannetje zich naar Benjamin en fluisterde hem een waarschuwing toe.
‘Wat zegt hij?’ vroeg Djimoun opnieuw.
‘Godverdomme, vet zwijn, als ik je gore stem nog één keer hoor, dan sla ik je kreupel.’
Seydlitz stond recht en liep schuimbekkend naar het achterste gedeelte van de bus. Hij hield zijn knuppel dreigend boven het hoofd van Djimoun en keek hem woest aan.
‘Beschouw dit als een laatste waarschuwing,’ gromde hij.
Toen ging hij terug naar zijn zitplaats en zei tegen de priester dat hij moest ophouden met de gevangenen op te jutten.
Benjamin keek recht voor zich uit en zweeg. De waarschuwende woorden van de priester spookten door zijn hoofd. Hij wilde nu kost wat kost de talisman hebben, want hij was ervan overtuigd geraakt dat die hem tegen het onheil van Karikarubu zou beschermen. Hij wilde niet dood; niet nu en niet zonder het water van de oceaan op zijn huid gevoeld te hebben. Maar hij vreesde dat Seydlitz zijn kop eraf zou knallen als hij één verkeerde beweging maakte. Dus zweeg hij en keek door het raam, piekerend over een manier om de geluksbrenger te bemachtigen, twijfelend of het wel verstandig was om zijn leven te riskeren voor een legende.
Toen de rust in de bus terugkeerde, voerde de bestuurder zijn passagiers met een hels tempo langs de kartelende kustlijn. Tussen de duinen flitste de kraakwitte branding van de oceaan voorbij. Het eindeloze wateroppervlak reikte tot aan de horizon. Voor sommige gevangenen was het de eerste keer dat ze de oceaan zagen, voor anderen was het jaren geleden. Benjamin pinkte een traan weg. Het idee dat hij na al die tijd eindelijk de machtige oceaan terugzag, stemde hem gelukkig. Hoe meer hij naar de golven keek, des te feller brandde het verlangen in zijn hart om het water op zijn huid te voelen.
Maar hij zag iets vreemds in het water. Het viel hem op dat het met ongewoon zachte golfbewegingen tegen de duinen klotste. Ook de kleur van de oceaan was anders dan voorheen, alsof er een donkere schaduw op lag.
Tien minuten later stond de zon op haar hoogste punt. In de autobus was het snikheet en de gevangenen begonnen te jammeren. Benjamin zag zijn kans om in het tumult de amulet van de ondertussen slapende priester te stelen. Hij stak zijn hand uit naar diens hals en probeerde hem ongemerkt van de lederen band te ontfutselen. Nog voor hij de knoop erin kon beroeren, schoot het mannetje wakker, zijn kraaloogjes blinkend van woede. In een onbezonnen reflex trok Benjamin de band rond zijn hals strakker, net zover tot er geen haar meer tussen kon. Het duurde niet lang voor de priester tevergeefs naar adem begon te happen. Benjamin slaagde erin zijn spartelende vuistjes te ontwijken, tot zijn enige wapenfeit nog een zielig gekreun was dat door het kabaal in de bus overstemd werd. Wanneer zijn lichaam uiteindelijk verslapte, rukte Benjamin de amulet van de band.
Ondertussen smeekten de gevangenen om een drinkpauze. Seydlitz liet Shivute rondgaan met bekertjes water. Ook de bestuurder had last gekregen van de warmte en goot enkele slokken frisdrank naar binnen. Toen er plots geschreeuw door de bus galmde, verslikte hij zich zodanig dat de drank uit zijn neus naar buiten stroomde. Hij en Seydlitz keken achterom, naar de bron van het geschreeuw.
‘Hij is dood,’ gilde Shivute met overslaande stem.
Seydlitz was ondertussen opgestaan. Met de revolver in zijn hand duwde hij de trillende Shivute opzij. De voodoopriester zat roerloos op zijn stoel. Hij ademde niet meer. Zijn irissen waren verdwenen onder zijn oogleden en zijn mond stond open. Met zijn vrije hand schudde Seydlitz het vederlichte lichaam van de priester heen en weer, maar er kwam geen reactie. Hij duwde zijn kin omhoog en ontdekte de rode groef in zijn hals. Benjamin begreep dat hij zijn strafvermindering nu wel kon vergeten.
‘Klootzak die je bent!’ schreeuwde Seydlitz, ‘Je hebt hem vermoord.’
Benjamin wendde zijn blik af van de bewaker en keek naar beneden. Met zijn geboeide handen, de handen waarmee hij zonet de oude priester gewurgd had, omklemde hij de amulet.
‘Geef hier dat ding.’
Benjamin antwoordde niet, maar greep de amulet nog steviger vast.
‘Geef hier of ik schiet je neer,’ zei Seydlitz koelbloedig, en hij richtte zijn revolver op Benjamin.
Die kon niets anders dan gehoorzamen, anders zou hij hier en nu sterven. Met veel tegenzin gaf hij de amulet aan Seydlitz die hem wegstak in zijn broekzak.
Even later beval Seydlitz de bestuurder om halt te houden en het portier te openen. Hij sleepte het dode lichaam van de voodoopriester naar de deur en gooide het in het donkere zand. De bewaker wilde de deur terug sluiten, maar leek even te aarzelen.
Benjamin zag de reden van zijn aarzeling: een schaduw die dubbel zo groot was als de stand van de zon het normaal gezien toeliet. Onbegrijpend keek hij naar boven, op zoek naar de oorzaak van de schaduw. Hij was afkomstig van een reusachtige asgrauwe wolk die boven de bus hing. Meer en meer begon hij ervan overtuigd te geraken dat de legende niets met bijgeloof te maken had.
‘Gas geven,’ beval Seydlitz.
De bestuurder ging op het gaspedaal staan, maar zijn vehikel gaf geen krimp. Hij probeerde het nogmaals, weer zonder succes. Daarop zette hij de motor uit en weer aan en probeerde het opnieuw, maar tevergeefs. Wat hij ook probeerde, hij kreeg de autobus niet meer aan de praat.
‘Vooruit, waar wacht je op?’ snauwde Seydlitz hem toe.
‘Hij doet het niet meer, meneer. Een probleem met de motor, denk ik.’
‘Verdomme, ook dat nog!’
‘We zijn er geweest,’ griende Shivute, ‘het is zover, we zijn er geweest.’
‘Hou nu verdomme toch eens je kop, huilebalk. Ze hadden een mietje zoals jij beter wc’s laten schrobben in plaats van je met mij op pad te sturen.’
Er ontstond rumoer in de bus. De gevangenen keken onrustig naar buiten en zagen hoe het langzaam maar zeker begon te schemeren. Ze begonnen zenuwachtig aan hun kettingen te morrelen. Ook Benjamin voelde hoe angst hem bekroop. De gruwelverhalen over Karikarubu flitsten opnieuw door zijn hoofd, net zoals de neurotische voorspelling van de voodoopriester.
Had ik die amulet nu maar, dacht hij bij zichzelf.
Als verlamd keek hij naar de sluier van duisternis die het daglicht seconde per seconde verdrong. Het lawaai in de bus nam toe, wanhopige angstkreten overstemden het gemorrel aan de boeien. In zijn ooghoek zag Benjamin hoe Seydlitz een tweeloop van onder zijn stoel nam en kordaat zijn keel schraapte.
‘Handen in de lucht en bekken dicht!’ riep de bewaker woest.
De siddering in zijn stem verried angst, net zoals de witte plekken in zijn gezicht. Als een dolle schutter richtte hij zijn vizier willekeurig op alle gevangenen. Ze letten niet op hem. Ze waren minder bevreesd voor een kogel dan voor het onheil dat over de autobus neerdaalde.
Er bestond geen twijfel over: ze waren in Karikarubu.
Benjamin keek naar de wolken die in een mum van tijd als een bol garen samenklitten en de brandende zon terugdrongen naar een uithoek van het universum. De hemel was nu pikzwart geworden. Een stevige wind beukte in op de bus. Miljoenen zandkorrels vlogen op uit de duinen en regenden als kleine kogeltjes op het koetswerk. De bestuurder was de eerste die uit pure schrik naar buiten liep, de duisternis in. Benjamin wilde hem volgen, maar de ketting rond zijn voeten verhinderde dat. Bovendien durfde hij niet naar buiten zonder de geluksbrenger. Die zat nog altijd in de broekzak van die verdomde Seydlitz. Hij dacht na over een manier om hem te pakken te krijgen, maar hij besefte dat hij weinig kon doen met die boeien rond zijn polsen en enkels.
Hij keek naar de wild met zijn tweeloop zwaaiende Seydlitz en dan naar Shivute. Die laatste hield zich krampachtig vast aan de armleuning van zijn stoel, zijn gezicht verwrongen tot een masker van angst. Zijn sleutelbos hing net binnen handbereik, maar Benjamin kon zich geen misstap veroorloven. Eén verkeerde beweging en Seydlitz zou zijn kop eraf knallen, dat wist hij zeker. Hij moest het juiste moment afwachten.
Plots ontstond er luid gebrul achteraan in de bus. Het was Djimoun. Hij probeerde de kettingen rond zijn voeten los te rukken. Seydlitz kreeg hem in de gaten en stormde op hem af, de ader onder zijn linkeroog trillend van razernij. Dit was Benjamins kans. Hij keek achterom, naar Seydlitz, en dan naar Shivute. Die zat nog steeds in shock naar de zwarte wolken te kijken. Benjamin boog voorover en stak zijn arm uit naar de sleutelbos, maar hij kon er net niet bij. Met gespannen spieren trok hij zijn ketting op zijn strakst en deed een tweede poging. Dit keer kon hij de sleutelbos maar net aanraken. Nogmaals keek hij achterom en draaide dan met zijn duim en wijsvinger de ring van Shivute’s gordel. Die was te angstig om iets in de gaten te hebben.
Seydlitz was ondertussen de longen uit zijn lijf aan het schreeuwen tegen Djimoun. Benjamin schrok van het lawaai, maar probeerde desondanks een voor een de sleutels uit. Zijn handen beefden, zijn adem stokte in zijn keel. De vierde sleutel was de juiste. Hij zuchtte alle spanning van zich af en opende het slot.
Hij was vrij.
Voor de derde keer keek hij achterom, naar Seydlitz die nu helemaal hysterisch was. De bewaker schoot Djimoun, die erin geslaagd was om een van de kettingen uit de bodem los te rukken, in de voet en herlaadde zijn tweeloop.
Benjamin zette zich ondertussen recht om het wapen van Shivute uit de gordel te pakken.
‘Halt, waar denk jij naartoe te gaan?’
Net toen Benjamin bijna Shivute’s revolver veroverd had, had Seydlitz hem opgemerkt.
‘Zozo, jij gluiperd, jij wil er dus stiekem vanonder muizen? Had ik het niet gedacht, eerst die charlatan vermoorden en nu dit weer.’
Benjamin keek de furieuze bewaker verslagen aan. Zijn aangezicht lag in het vizier van Seydlitz’ tweeloop. Even twijfelde hij of hij het op een lopen zou zetten, maar hij durfde niet. Bovendien was datgene wat hem buiten stond te wachten misschien wel duizendmaal wreder dan een hete bol lood. Er zat niets anders op dan zich over te geven.
Benjamin slofte teneergeslagen naar zijn stoel, maar nog voor hij daar was, rukte de bulderende Djimoun zijn handen los uit de boeien. Met zijn grote vuist mepte hij Seydlitz tegen zijn slaap waardoor als een vod over een van de banken viel. De weg naar de vrijheid lag open voor Benjamin. Hij holde naar de achterkant van de bus en griste de talisman uit Seydlitz’ broekzak, nog voor Djimoun zichzelf helemaal bevrijd had uit zijn boeien. Daarna liep hij terug naar het portier. De ineengekrompen Shivute legde hem geen strobreed in de weg bij zijn ontsnapping.
Buiten werd Benjamin verrast door de duistere krachten waarvoor de voodoopriester hem gewaarschuwd had. Hij klemde de amulet stevig vast en keek naar de hemel, waar de zwarte wolkenknoop die daarnet boven de autobus hing nu gedeeltelijk ontward was. In het hart van de knoop gaapte een reusachtig ellipsvormig gat. Het keek als een vurig oog neer op de bus en haar onfortuinlijke passagiers. In het gat borrelden woeste luchtstromen en flitsten felle bliksems heen en weer. Ze waren rood en hun warmte was voelbaar tot op de grond. Het leek wel elektriciteit, maar dan veel krachtiger.
Benjamin hoorde hoe achter hem de autobus begon te schokken. Het rode oog had zijn zinnen op het wrak gezet. Enkele seconden later werden de zijspiegels en enkele verroeste onderdelen meedogenloos losgerukt. Met een immense snelheid vlogen ze naar de hemel en verdwenen ze in het oog tussen de wolken. Benjamin keek de vernielingen vol verbijstering aan. Hij zat in het zand, zo’n vijftigtal meter van de bus verwijderd, maar bleef als bij wonder gespaard van de ravage. Het gekrijs van zijn medegevangenen sneed door merg en been, het overstemde de huilende wind en het geluid van het verwrongen staal. Hij kon niets anders doen dan toekijken hoe de bus gesloopt werd en de brokstukken met een enorme kracht naar boven gezogen werden. Hij drukte de amulet tegen zijn lippen en bad dat hij dit zou overleven.
Terwijl hij bad, zag Benjamin hoe Djimoun naar het deurgat kroop, zijn gewonde voet achter zich aan slepend. De reus zette zich klaar om de woestijn in te duiken, maar nog voor hij het ijzeren trapje kon beroeren, werd hij gegrepen door de heftige luchtstromen. Als een stofzuiger zogen ze de bruine huid van zijn lichaam weg. Hoe meer lichaamsdelen er bij hem losgerukt werden, des te harder hij begon te schreeuwen, tot hij helemaal verdwenen was, dan pas hield het verschrikkelijke geschreeuw op.
Wat verderop in de bus spatten de ramen aan diggelen. De overige gevangenen probeerden zich tevergeefs uit hun boeien te bevrijden. Bevend over zijn ganse lichaam keek Benjamin toe hoe ze door de vernielde ramen naar buiten vlogen. Lappen huid, ingewanden en spieren regenden als een spervuur van menselijke overblijfselen naar de hemel. Het losgerukte vel van Seydlitz bleef achter een glasscherf haken om vervolgens, in twee stukken doormidden gereten, als wapperende baniertjes naar boven te fladderen. Zijn darmen stormden af op het rode oog en glipten daarbij door de gescalpeerde ribbenkast van Shivute. Langs alle kanten vlogen rode brokken uit de autobus naar buiten, ingesloten door een wervelstorm van miljoenen zandkorrels. Zo ging het maar door.
Toen er geen druppel bloed en geen vierkante centimeter huid meer overbleef, verdween het rode oog even plots als het gekomen was in de wolken. De storm ging liggen en het gehuil van de wind verstomde. De donkere schaduwen verdwenen, het daglicht kwam opnieuw tevoorschijn.
Benjamin keek verslagen naar het hoopje schroot dat in het zand lag te dampen. Dankbaar keek hij naar de amulet die hem voor een macabere dood behoed had. Waarom, dat wist hij niet, maar hij was blij dat hij dit inferno overleefd had. Hij stond op en wankelde naar de bus. Eenmaal bij het wrak keek hij langs de gebroken vensters naar binnen. De vloer en zitbanken waren bedolven onder het vermorzelde gruis van beenderen. Verder was er geen teken van leven te bekennen.
Niemand zou Benjamin komen zoeken in Karikarubu, daar was hij zeker van, dus kon hij zonder zich zorgen te maken genieten van zijn vrijheid. Hij keek naar de oceaan die al die jaren op hem gewacht had. Ze lag enkele tientallen meters verder te glinsteren in het warme zonlicht. Op de aanrollende golven dobberde een kolonie hongerige zeemeeuwen, wachtend op een vis. Moe maar gelukkig strompelde Benjamin naar de kust waar een scherpe klif en een zijdeachtige duin elkaar ontmoetten. In hun omhelzing lag de schitterende branding wild te schuimen. Bij het ruiken van het water en het horen van de brekende golven voelde hij dat zijn hart sneller begon te slaan. Hij klom naar de top van de duin en liet zich luid lachend in het water glijden, waar hij als een uitgelaten kind tegen de golven opsprong.
Opeens voelde hij een druppel op zijn hoofd plenzen.
Hij keek op en zag hoe de amulet in zijn rechterhand rood kleurde. Het leek op bloed. Vervolgens keek hij verwonderd naar de hemel waar een zilverkleurige wolk zich boven de oceaan had samengepakt. Het was een regenwolk. Met een immense kracht perste ze de overblijfselen van Seydlitz, Shivute, Djimoun en de andere gevangenen naar buiten. Hun lichaamsdelen donderden naar beneden en priemden grote kuilen in de oceaan. Het water rondom Benjamin kleurde ogenblikkelijk rood. Hij dook onder water om een ruggengraat die als een speer door de lucht kliefde te ontwijken. Toen hij terug aan het oppervlak kwam om naar adem te happen, werden de uitgebraakte brokken mensenvlees gevolgd door flinterdunne regendruppels. Hij stak zijn handen uit, de handpalmen naar boven gericht en begon te schateren. Voor het eerst in zoveel jaren kon hij lachen. Het voelde heerlijk.
Zich een weg banend tussen de overblijfselen die op de golven dreven, zwom hij naar de kant waar hij zich languit in het zand liet zakken. Als hij hier zou blijven, was zijn leven misschien in gevaar, maar nu hij het zout van de oceaan eindelijk weer op zijn tong kon proeven, wilde hij onder geen beding terug naar Elsiboth. Zijn vrijheid was dit risico waard. Hij had immers een geluksbrenger die hem voor Karikarubu zou behoeden. Hij borg de amulet op in het borstzakje van zijn doorweekte gevangenisplunje, vastbesloten ze nooit te verliezen. Daarna sloot hij zijn ogen en viel in slaap op het warme zand.
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)
0 reacties:
Een reactie plaatsen